Kroniek van de taalkunde; jaargang XXXVI, 1 (1998)
Etymologie, passief en nog wat
Etymologie is een merkwaardig vak. Niet in de laatste plaats omdat haar doelstellingen soms zo grondig veranderen. Ik spreek nu niet over haar voorwetenschappelijke periode, toen het erom ging het wezen der woorden te achterhalen. Het etymon van een woord, zo meende men toen, was zijn ‘eigenlijke’ of toch minstens zijn ‘oorspronkelijke’ betekenis. Etymologie was toen de poging dit eigenlijke of oorspronkelijke van de woorden op te delven tussen de wirwar van latere verbasteringen.
In de 19de eeuw werd dit idee prijsgegeven. De hoge vlucht van de vergelijkende en historische taalwetenschap leidde tot een heel andere opvatting van de etymologie. Dat woorden een ‘eigenlijke’ betekenis zouden hebben, was een hersenschim; en van een ‘oorspronkelijke’ betekenis viel niet te spreken, aangezien de oorsprong der woorden in een onpeilbaar ver verleden lag. In feite sprak men in de 19de-eeuwse etymologie niet graag over betekenis. Men concentreerde zich op de geschiedenis van de woordvormen, door klankwetten gerelateerd aan vormen in soms ver verwijderde verwante talen. Hoe verder terug in het verleden, hoe beter. Een woord waarvoor niet minstens een oer-Germaanse vorm gereconstrueerd kon worden, liever nog een oer-Indo-europese wortel, was nauwelijks interessant.
Dat reconstrueren van bij voorkeur oer-Indo-europese vormen nam later af. Onder andere door de ontmoedigende vaststelling dat het Indo-europees door al het gereconstrueer steeds minder wortels scheen te bevatten, en bijna allemaal met dezelfde betekenis.
Toen ging men de betekenisontwikkeling belangrijk vinden. En omdat bij de prehistorie weinig over betekenis te zeggen valt, verschoof de aandacht van etymologen meer en meer naar woordgeschiedenis in historische tijden.
Binnenkort verschijnt het eerste deel van het grote etymologisch woordenboek van de Kiliaanstichting (hoofdredacteur M.L.A.I. Philippa), en dat vertoont duidelijk die belangstelling voor woordgeschiedenis, inclusief betekenis, terwijl de reconstructies en de prehistorie naar de achtergrond verschuiven. Door allerlei omstandigheden is de verschijning van deel 1 overigens erg vertraagd.
Van geringer omvang is het bekende etymologisch woordenboek van (De Vries &) De Tollenaere. Ooit begonnen als aula-pocket is het uitgegroeid tot een volwassen boek. Onlangs is de 20ste, herziene en weer uitgebreide druk verschenen (uitg. Het Spectrum, Utrecht 1997). De grote kwaliteit en toegankelijkheid ervan is intussen wel algemeen bekend.
Nieuw is het Etymologisch Dialectwoordenboek van A. Weijnen (uitg. Van Gorcum, Assen 1996; ISBN 9023229673). Woorden die alleen in dialecten voorkomen en niet in de standaardtaal, zijn in de meeste etymologische woordenboeken slecht vertegenwoordigd. Dat is jammer voor de echte etymoloog omdat dikwijls zeer oude woorden enkel in dialect bewaard gebleven zijn. Het is ook jammer voor de geïnteresseerde dialectliefhebber die menig ‘raar’ woord nergens in de boeken kan terugvinden. Weijnen heeft zijn etymologisch dialectwoordenboek geschreven zowel voor de vakgeleerde als voor de geïnteresseerde liefhebber. Die liefhebber zal er overigens een zware kluif aan hebben, of waarschijnlijker het ongelezen in de kast houden, want het is zeer ontoegankelijk voor een gewoon mens.
Reconstructies, prehistorie, Indo-europese wortels of zelfs maar oer-Germaanse vormen-met-sterretje treft men er hoegenaamd niet in aan. Maar ook woordgeschiedenis, betekenisontwikkeling en verklaringen ontbreken grotendeels. Wat Weijnen doet is in feite een woord identificeren als hetzelfde of verwant met een woord in een algemeen bekende taal. Weijnen heeft gewoon zijn eigen kaartenbakje uitgetypt.
Zo is er in Noord-Hollandse dialecten het woord miede, ‘tijding dat het schip in aantocht is’. We vernemen dan dat er in het Fries een woord mie bestaat (‘tijding’) en dat ze allebei samenhangen met het Duitse Miete (‘huur’), en dat ze verwant zijn met het Gotische mizdo. Misschien dat veel dialectliefhebbers heel gelukkig zijn met deze informatie (‘dat rare woord is eigenlijk niet zo raar; het staat zelfs in een boek’), maar je zal ze de kost geven die zich afvragen hoe men daar in Noord-Holland aan zo’n Duits woord komt.
Voor de vakgeleerde is het vooral een lijst met verwijzingen naar dialectmonografieën en andere etymologische woordenboeken. Dat is op zichzelf wel interessant, want zo kan men vernemen dat het in het Middelnederlands tamelijk algemene woord miede, waarvan het WNT enkel wat oudere citaten geeft, in het dialect nog voortleeft. Zonder een lange speurtocht langs talloze dialectmonografieën is dat anders niet te weten. Maar omdat de opnamecriteria uiterst ondoorzichtig zijn, mag ook van deze functie niet te veel verwacht worden. Binnen het geheel van de taalhistorische en etymologische werken kan dit boek dus soms nuttig zijn; als zelfstandig naslagwerk zal het bij leek en vakgeleerde vooral veel ergernis veroorzaken.
Een heel ander boek is B. Mesottens Binnenkijken in woorden; etymologische verkenningen (uitg. Pelckmans, Kapellen 1996; ISBN 9028922075). Dit boek is louter voor de geïnteresseerde leek geschreven. Met veel toewijding, veel uitweidingen ook, vertelt een onderwijzer zijn leerlingen over de geschiedenis van allerlei woorden. Voor de vakgeleerde is er, geloof ik, niets nieuws in te vinden; alles komt braaf uit de bestaande etymologische woordenboeken. Maar een ruim publiek zal het met meer plezier, en meer vrucht, lezen dan Weijnens hermetisch etymologisch dialectwoordenboek.
Jammer alleen dat de auteur regelmatig slecht op de hoogte blijkt van de situatie in Nederland. Zo is het waar dat men in België spreekt van Ik zal maar hout vasthouden, en het is mogelijk dat dat samenhangt met het Franse toucher du bois, maar zijn verhaal eromheen zou anders geweest zijn als hij geweten had dat in Nederland in gelijke situaties gezegd wordt: afkloppen. Overigens staat noch hout, noch vasthouden in het register.
Taalbeheersers hebben het moeilijk met passieve zinnen. Passieve zinnen maken een tekst namelijk vaak moeilijk leesbaar, maar er zijn ook. Situaties waarin ze juist de beste oplossing zijn. Niemand schijnt te kunnen zeggen wanneer het passief wenselijk is en wanneer onhandig. Louise H. Cornelis heeft haar dissertatie gewijd aan deze kwestie (Passive and perspective, uitg. Rodopi, Amsterdam/Atlanta 1997; ISBN 9042001577; ƒ90,-). Ze heeft dat zo grondig gedaan, dat haar studie ver uitstijgt boven een gemotiveerd schrijfadvies. Het is een syntactische en pragmatische studie geworden van het Nederlandse passief als zodanig. Wat is het passief, en wat wordt ermee gedaan? Aan het slot van het boek komt ze terug op de praktische adviezen, maar het zwaartepunt ligt bij het onderzoek naar de syntactische aard van het passief en naar zijn discourse-functies.
Dit is op zichzelf al heel interessant, maar wat dit boek vooral boeiend maakt, is de aanpak: functionalisme en cognitieve linguïstiek à la Langacker. Aangezien in deze richtingen de nadruk nogal eens op woordsemantiek ligt, is het verheugend dat die zienswijze nu ook verder doorgetrokken wordt naar de syntaxis. Ik verwacht daar veel van, en ik ben door de studie van Cornelis alvast niet teleurgesteld.
Hoe benader je het passief als je ervan uitgaat dat de basiselementen van een taal eenheden zijn van vorm en betekenis? Dan dient onderzocht te worden of ‘het’ passief ook zoiets is. En zo ja, wat de betekenis ervan is. Dit voert uiteraard tot de gedachte dat het passief geen monoliet is, maar de analyseerbare combinatie van worden + voltooid deelwoord (+ eventueel een door-bepaling), elk met zijn eigen betekenis. En dat zijn + voltooid deelwoord wel eens meer van worden + pp kan verschillen dan alleen in tempus. Hetgeen Cornelis dan ook aantoont, om zich vervolgens enkel te richten op het worden-passief. Wat is dan precies de betekenis van worden (en wel zo dat we die ook aantreffen in bijvoorbeeld hij wordt ziek); wat is de betekenis van het voltooid deelwoord als zodanig (dezelfde als het voltooid deelwoord in andere constructies heeft); en wat is de betekenis van door (ook dezelfde als in andere constructies)? De conclusie van Cornelis is dat het worden-passief wel in hoge mate, maar niet totaal analyseerbaar is. Anders gezegd: dat de betekenis van al die elementen wel terugvindbaar is in het passief, maar dat het geheel toch ook nog iets eigens heeft bovenop de optelsom van de delen (namelijk dat er een ‘causer’ geïmpliceerd wordt, wat noch aan worden, noch aan het voltooid deelwoord toegeschreven kan worden maar enkel aan de combinatie). Op dit punt heeft ze mij niet overtuigd, maar belangrijker is dat hier wel de juiste vragen gesteld worden, en dat er aan de hand van interessante observaties antwoorden gegeven worden.
Niet onbelangrijke consequenties van deze aanpak (en mijns inziens een verademing) zijn, dat we niet langer spreken van ‘het’ passief (worden en zijn verschillen te zeer); dat het worden-passief niet langer de tegenhanger is van een actieve zin maar een constructie sui generis (met allerlei eigenschappen die altijd onderbelicht bleven omdat het actief het zicht belemmerde); en dat crosslinguïstische studies naar het passief voorlopig al helemaal van de baan zijn (de studie van het Nederlandse passief heeft aantoonbaar geleden doordat men zo vaak begon bij het Engels).
De betekenis die Cornelis uiteindelijk voor het Nederlandse worden-passief formuleert, is: “process towards a final state, the causer of which should not be identified with”. Dat lijkt misschien een mager resultaat, maar het is het volstrekt niet. Als je het vergelijkt met de vele functionele beschrijvingen van het passief die in de literatuur bestaan (Cornelis bespreekt ze uitvoerig), dan is dit een aanmerkelijke verbetering. Onder andere omdat de ‘patient’, het ‘subject’, het ‘topic’ etc. er geheel uit weggenomen zijn. Dat heeft vergaande gevolgen voor de beschrijving van het passief, maar de stap lijkt me in essentie juist. Ook als basis voor de verschillende discourse-functies die Cornelis in deels experimenteel onderzoek blootlegt, blijkt haar formulering van de passiefbetekenis uiterst bruikbaar.
Van de zeven discourse-functies die uitgewerkt worden (zo’n lijst is per definitie niet volledig) noem ik er hier slechts twee: het passief is heel geschikt voor negatief te beoordelen gebeurtenissen (De keuken wordt nooit opgeruimd), en voor gebeurtenissen met een vage of onduidelijke veroorzaker (De kosten worden verhaald op de bewoners).
Het boek van Cornelis bevat nog heel veel meer dan hier te zeggen is, maar hopelijk is dit al genoeg om het aan te bevelen. Het is geen boek voor praktische taalbeheersers, ook al bevat het wel het fundament voor adviezen. Wel verplichte kost voor grammatici.
Iedere kroniek is ergerlijk onvolledig. Deze ook. Maar om het niet te gek te maken, wil ik nog enkele boeken noemen.
Het is in Nederland en België de gewoonte geworden dat geleerden die met pensioen gaan, of 50 jaar worden of iets anders te vieren hebben, een feestbundel aangeboden krijgen, hetzij met artikelen van vrienden en collega’s, hetzij met eigen werk. Als het een beetje meezit, krijg je allebei. Voor de toegankelijkheid van wetenschappelijke artikelen is dit een ramp, want er is geen beginnen aan om al die bundels aan te schaffen. Alleen de zeer grote bibliotheken kunnen zich dat permitteren. En ondertussen krimpt het bestand aan Nederlandse vaktijdschriften... Enfin, zo hadden we het afgelopen jaar dus de feestbundel voor A. Hagen (Taalvariaties, Dordrecht 1996; ISBN 9067655333) onder redactie van R. van Hout en J. Kruysen, en de feestbundel voor Ina Schermer-Vermeer (Grammaticaal spektakel, Amsterdam 1997; ISBN 9080102164) onder redactie van E.H.C. Elffers-van Ketel, J.M. van der Horst en W.G. Klooster. Beide bundels bevatten uiteenlopende en vaak heel interessante bijdragen van tal van auteurs. G. Geerts kreeg bij zijn Leuvens emeritaat een bundeling van eigen werk aangeboden (Nederlands, een en veelzijdig, uitg. Universitaire Pers Leuven 1995; ISBN 9061866944).
P.G.J. van Sterkenburg en M.C. van den Toorn onderzochten in Veertig jaar journaal, veertig jaar taal veranderingen in het recente Nederlands (uitg. Sdu, Den Haag 1997; ISBN 9012083494), hetgeen een charmant boekje heeft opgeleverd. Wie zijn kennis van het Nederlands geruime tijd geleden opdeed, kan zich hier bijscholen. Maar ook wie goed op de hoogte is van het modernste Nederlands, zal dit met plezier lezen.
Ook van Van Sterkenburg is Vloeken (uitg. Sdu, Den Haag/ Antwerpen 1997; ISBN 9075566174). Het bevat een geschiedenis van het vloeken en een studie van het vloeken als maatschappelijk verschijnsel, als inleiding op een groot lexicon van vloeken (bladzijde 155-424). Hier kan men zien dat jemigdepemig, door velen beschouwd als een uitvinding van Kees van Kooten, al voorkwam bij Vondel en Bredero. Maar ook dat er eigenlijk nog geen verklaring is voor de peren in kut met peren. Voor filologisch gebruik had ik graag meer verwijzingen gezien, zoals een enkele keer wel gebeurt, bijvoorbeeld bij de melcflessen van korten blisse die voorkomen in Mariken van Nieumeghen. Het meeste materiaal is echter afkomstig uit het WNT.
Op het moment dat ik dit schrijf, is de tweede druk van de ANS nog niet verschenen, maar er wordt gezegd dat het een kwestie van weken of hooguit maanden is. De kopij is helemaal klaar. Een vast bureau met minstens drie of vier grammatici voor het bijhouden en uitbreiden van de ANS zit er voorlopig niet in. Wat dat betreft is de Nederlandse lexicologie heel wat beter bedeeld dan de Nederlandse grammatica. Wel zijn er projecten begonnen voor een ANS voor Franstaligen (Leuven) en een ANS voor Duitstaligen (Utrecht). Dat is op zichzelf niet slecht, maar het zou zoveel beter kunnen. Bij het Instituut voor Lexicologie (Leiden) is het maken van woordenboeken toevertrouwd aan mensen die (na hun vakstudie!) een lange interne opleiding genoten hebben. Terecht. Maar het schrijven van een grammatica wordt in Nederland en België uitbesteed aan pas afgestudeerde jonge onderzoekers, die in een project van drie of vier jaar nauwelijks de tijd krijgen zich in het handwerk te bekwamen, om vervolgens te worden afgedankt en, in het gunstigste geval, vervangen te worden door nieuwe beginnelingen. Ik weet niet waarom dit zo zot geregeld is, noch ook wie daarvoor verantwoordelijk is. In ieder geval heb ik de Taalunie nooit horen ijveren voor een permanent Instituut voor de Nederlandse Grammatica.
Het ziet er waarachtig naar uit dat het WNT, zoals al jaren beloofd, in 1998 inderdaad gereed zal zijn. De jongste afleveringen behandelen het traject zitdag - zugelen, oftewel de tweede helft van deel 28. Voor gewoon dagelijks gebruik is er overigens ook de prachtige 10de druk van Verschueren, opnieuw bijgewerkt en vermeerderd door de bekwame hand van F. Claes. En uiteraard ingericht volgens de nieuwe spelling. De spellingstrijd lijkt daarmee min of meer tot een einde gekomen. Wie de dolle historie van de afgelopen twee jaar nog eens (gekleurd) wil nalezen, kan terecht bij Wim Daniëls en Felix van de Laar, Spellingchaos; een buitenparlementair onderzoek naar de nieuwe spelling (uitg. Scheffers, Utrecht 1996; ISBN 9055460486).