Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

Neerlandica extra muros online

Kroniek cultuur en maatschappij der Nederlanden; jaargang 41, 2 (2003)

Vreemde ogen dwingen

L. Beheydt (Louvain-la-Neuve)

[Versie om af te drukken]

De blik van de buitenstaander en de buitenlander is indringend in de meest letterlijke zin van het woord. Een vis heeft geen besef van water, een Nederlander vindt de omgeving waarin hij leeft vanzelfsprekend op een wijze die juist de bezoeker en de nieuwkomer verbijstert en verwondert.

Met deze vaststelling opent Paul Schnabel de bundel Wat is Nederlands nog in dit land? (2002). Deze vaststelling neem ik als leidmotief voor mijn kroniek omdat ze zo mooi aangeeft dat culturele identiteit niet exclusief een zaak is van ‘zelfevaluatie’. Culturele identiteit wordt in hoge mate meebepaald door de buitenstaander. Als culturele identiteit een ‘verbeelde gemeenschap’ (B. Anderson) is die gerealiseerd wordt door aan een aantal kenmerken en eigenschappen een grote symbolische en typerende waarde toe te kennen, dan is die eerder een proces dan een wezenlijkheid. Het is een proces van grensvorming, waaraan zowel de leden van de gemeenschap als de buitenstaanders actief deelnemen. Wat de Nederlandse culturele identiteit is, wordt dus niet alleen bepaald door de ogen binnen de verbeelde gemeenschap, maar evenzeer door de ogen buiten die gemeenschap. Dat proces is in de antropologie al in de jaren zestig indringend beschreven in het toonaangevende boek van Fredrik Barth Ethnic groups and boundaries (1969). Maar het is een gegeven waar Nederlanders nogal wat moeite mee hebben en waar ze ook een beetje dubbelzinnig in zijn. Aan de ene kant moet ik Paul Schnabel gelijk geven dat Nederlanders zich graag als een beetje apart profileren:

Zoals Amerikanen graag geloven ‘the greatest people’ in de ‘greatest of all nations’ te zijn, zo zien Nederlanders zich graag als een beetje apart. Een beetje anders dan de anderen, maar dat beetje gaat wel over zaken die wij heel belangrijk vinden en waarin wij ons ook niet graag willen schikken naar wat elders als goed geldt. Wij kunnen ook meer en andere dingen aan dan onze buren en durven meer risico te lopen (12).

Anderzijds zetten diezelfde Nederlanders zich, als de grote kosmopolieten van Europa, af tegen elke vorm van nationaal chauvinisme. De ontkenning van de Nederlandse identiteit lijkt in Nederland vaak een nationale sport onder intellectuelen. Die ontkenning wordt mooi samengevat door P. Scheffer waar hij schrijft: ‘De Nederlandse eigenheid mag geen naam hebben, zij bestaat juist in de ontkenning ervan’.
Die dubbelheid – wij zijn apart, maar we hebben geen eigenheid – leidt ertoe dat de Nederlander zich ook vaak fel verzet tegen buitenstaanders die menen toch een culturele identiteit te mogen toekennen aan de Nederlanders. Een schoolvoorbeeld daarvan is te vinden in de Nederlandse kunstgeschiedenis. Het valt, geloof ik, moeilijk te ontkennen dat de Nederlandse schilderkunst van de zeventiende eeuw een blijvend beeld van de Nederlandse kunst geschapen heeft, een feit dat overigens ook door Kester Freriks in de bundel van Schnabel wordt erkend, als hij schrijft:

Het goeddeels kunstmatig gecreëerde Nederland heeft een schilderkunst voortgebracht die het land – althans de historie ervan, het gezicht van het verleden – zijn identiteit heeft gegeven. Deze uit olieverf op doek bestaande beeldvorming kan nooit uitgewist worden, uit niemands geheugen. Noch uit het geheugen van de Nederlanders, noch uit dat van de buitenlanders (25).

Toch is het juist dát wat Nederlandse kunsthistorici proberen te doen. Als de Engelse kunsthistoricus Simon Schama in zijn onvolprezen boek Overvloed en onbehagen (1988) een identiteitskarakteristiek van de Nederlandse zeventiende eeuw schetst en daarbij de schilderkunst als getuige neemt, vindt de Nederlandse kunsthistoricus Eddy de Jongh dat ‘curieus’ en verwondert hij er zich over dat Schama ‘de meest onverwachte karakteristieken’ heeft aangetroffen (De Jongh, 1992: 79). Hetzelfde is overigens gebeurd met Amerikaanse kunsthistorica Svetlana Alpers, die in een geruchtmakend boek over de Nederlandse schilderkunst, De kunst van het kijken, gepoogd had de eigenheid van de Nederlandse kunst te typeren. Zij werd door haar Nederlandse collega’s Eddy de Jongh en Ilja Veldman vakkundig onderuit gehaald omdat zij het gewaagd had het onmiskenbare gelaat van de Nederlandse schilderkunst te beschrijven. Zij had die kritiek zeker niet verwacht, want in een later artikel in het jaarboek 1993-94 van The Low Countries schrijft ze met uitroepteken: ‘What I had not anticipated was the denial by Dutch art historians that there is such a thing as Dutch art!’ (1993: 160).
Reden te over dus voor de Nederlander om met des te meer aandacht kennis te nemen van het beeld dat de ander van hem maakt. Dat buitenlandse beeld is zo’n tien jaar geleden al eens gemaakt in de bundel van Arendo Joustra Vreemde ogen. Buitenlanders over de Nederlandse identiteit (1993), dat gebeurt nu opnieuw in de bundel van Schnabel. Tien schrijvers met een niet-Nederlandse achtergrond gaan in op wat hen het meest getroffen heeft in Nederland en zijn rijke geschiedenis. Bij die auteurs zijn ook enkele docenten uit de buitenlandse neerlandistiek: Judit Gera met Amsterdam, Amsterdam, Jelica Novakovic-Lopusina met Narcissen in Balkantuinen en Jerzy Koch met Over kaas, klompen en tulpen niet gesproken. De bundel is een boeiende, maar vooral leerzame verzameling geworden. Er zijn wat klachten, er is wat onbegrip, maar er is vooral heel veel verbazing en er is bewondering, bewondering vooral voor de taal en de literatuur, een bewondering die vaak moet worden uitgelegd aan de niet-begrijpende Nederlander.

Als er één ding is wat de buitenlander-buitenstaander steeds weer moet uitleggen dan is het waarom hij in godsnaam Nederlands leert. En daarover gaat het tweede boekje dat hier op mijn leestafel ligt. Een leuk boekje. Ook weer een bundel, met de niet mis te verstane titel Ik leer Nederlands omdat… (2002). Dertig opstellen van Europese studenten buiten het Nederlandse taalgebied, gekozen uit een rijke oogst aan inzendingen, zijn hier samengebracht in een uiterst charmante publicatie. De bundel opent met een heerlijk essay van Claudia Di Palermo onder de titel Nederlanders hebben alles al een keer gezien. Mag ik voor de aardigheid een stukje citeren dat vele buitenlandse docenten en studenten Nederlands zo zullen herkennen? Op de vraag: ‘Waarom ben je in godsnaam Nederlands gaan studeren?’, antwoordt deze Italiaanse:

Ik zeg, enigszins besmuikt, dat ik op een dag zomaar een college Nederlands binnenliep. En dat ik de taal grappig vind. En de literatuur spreekt me aan. Op mijn antwoorden wordt met hilariteit gereageerd. Ik leg uit, nu in een staat van enthousiasme verkerend, dat ik het leuk vind om oneindig veel samengestelde woorden te verzinnen of om te ontdekken dat je verscheidene handelingen in één werkwoord kunt uitdrukken, zoals in ‘wakkerbellen’, ‘wegpromoveren’, ‘wegpesten’. Ik zou ook kunnen vertellen wat ik zo mooi vind aan de abele spelen, Vondel, de gedichten van Gorter, Bloem en Achterberg. Ik kan me voorstellen dat een Nederlander dat niet vaak hoort. Of hij het graag hoort, is iets wat ik me nog steeds afvraag.
En ironisch voegt ze er een paar regels verder aan toe: ‘De Nederlander begrijpt de Italiaan, of de Italiaan dat nou wil of niet, maar de Italiaan mag de Nederlander niet begrijpen. Hij vindt dat maar eng, opdringerig, bijna intiem’ (13). En daarmee ben ik terug bij mijn thema: ‘het idee dat een geïnteresseerde buitenlander de Nederlander ontdekt, dat hebben ze liever niet’ (13). Het openingsessay van Di Palermo zet de toon voor een bonte verzameling opstellen die ons een caleidoscoop van beweegredenen geven om Nederlands te leren: vertederende, poëtische, praktische, onthutsende aandoenlijke. Het winnende opstel van de Russische Dasha Droegaljova uit Sint-Petersburg is een poëtisch ontroerend sprookje, waarin deze buitenlandse studente met verwonderde ogen door het Nederlands wandelt. Wat denkt u bijvoorbeeld van de volgende zin: ‘“Wacht even, ik sleep de telefoon naar mijn kamer”, riep Rita. Ik kreeg de indruk dat de telefoon zo groot was als een olifant die zich bovendien verzette als een kat die naar de badkamer werd gedragen’ (11). Wat een verbeelding en wat een beeldrijkdom ontspruiten hier aan de verbazing over een alledaags woord als ‘slepen’. Dat is voor een deel de charme van dit bundeltje: de nieuwkomers in het Nederlands bewegen zich onwennig en voorzichtig door onze taal en daardoor ervaren wij Nederlandstaligen haar zelf als nieuw.
 
Aansluitend bij deze bundel vermeld ik graag het boekje van Dubravka Ugresic Amsterdam, Amsterdam (2002) waarvan een hoofdstuk ook te vinden is in de bundel van Schnabel. Dubravka Ugresic komt uit het voormalig Joegoslavië en is auteur van romans, verhalen, toneelstukken en essays. In een zeer poëtisch en nostalgisch boekje beschrijft zij met verbaasde ogen de ongeziene schoonheid van Amsterdam: ‘Ja, ongezien, hoewel ik al in zoveel steden was geweest die om hun schoonheid worden geroemd’ (23). Het is interessant om dit verhaal van een liefde voor Amsterdam naast het Amsterdamverhaal van Judit Gera uit de bundel van Schnabel te leggen. Gera is via haar vertaalwerk verwikkeld in een onontwarbare kluwen van literatuur, schilderijen en stadsscènes, Ugresic is een argeloze bezoeker die verdwaalt in een wereldstad op kinderformaat vol kleine huisjes, poppen en ander speelgoed. Amsterdam, als een volmaakt, kostbaar poppenhuis.

‘Poëtisch’, dat is de gemeenschappelijke noemer waarop ik de tot hiertoe besproken bundels zou zetten. Maar er zijn ook meer zakelijke, onverbloemde visies op Nederland en de Nederlanders. In de bundel Lof der botheid. Nederland en de Nederlanders door buitenlandse ogen (2002) doen enkele journalisten uit Polen, Japan, Amerika, Ierland, Duitsland en Afrika verslag over hun ruime ervaring met Nederland. En het moet gezegd: ze nemen geen blad voor de mond. De vermeend positieve cultuurtrekken die de Nederlander zich aanmeet, krijgen soms een totaal onverwachte interpretatie. Zo schrijft de Nigeriaanse journalist de legendarische Nederlandse werklust toe aan het schrale Hollandse klimaat: het is in Nederland gewoon te koud om het rustig aan te doen. De gevarieerde visie van buitenlanders die al jaren in Nederland wonen is op zijn minst verrassend te noemen.

Een heel andere en veel afgewogener externe kijk op Nederland en de Nederlanders is de nieuwe uitgave van Shetters handboek cultuur en maatschappij The Netherlands. The Dutch way of organizing a society and its setting (2002). Natuurlijk is de gemiddelde neerlandicus extra muros bekend met het overzichtswerk van Shetter die twaalf jaar geleden als één van de eersten een echt handboek Nederlandkunde publiceerde. Nu is er die volkomen herwerkte versie van The Netherlands in perspective, die onder de nieuwe titel in een enigszins beknoptere vorm, nog steeds probeert in één boek een karakteristiek beeld te schetsen van de Nederlanden. Het is een echt handboek dat in twintig korte hoofdstukken een samenhangend overzicht presenteert van de Nederlandse samenleving in al haar facetten. Het is, zoals het een goed handboek past, systematisch opgezet en behandelt de geografische, culturele en historische aspecten in hun voortdurende interactie. Zo probeert Shetter een dieptepeiling te geven van de Nederlandse maatschappij zoals hij die nu meer dan vijftig jaar op de voet volgt. Hij is de deskundige buitenstaander die ervan overtuigd is dat ‘seeing any society truly “in perspective” can only be done successfully by someone who can view it from the detached vantage point of the outsider’ (5). Overigens voelt hij zich wel verplicht het te doen want de Nederlanders zelf vertikken het om hun land en hun samenleving aan de wereld voor te stellen. Nieuw in deze versie van Shetters handboek is de doorverwijzing bij elk hoofdstuk naar interessante websites. Dat is ook voor het buitenland erg handig, want als Nederlandse boeken niet altijd geredelijk toegankelijk zijn, is het web een dankbare bibliotheek, op voorwaarde dat er een goede gids is en daar heeft Shetter werk van gemaakt. Voorts bewonder ik de moeilijke combinatie van feitelijke informatie en interpretatie. De feitelijke informatie, vervat in dit boek, is overweldigend. Ik heb zelden zoveel goed geordende informatie over Nederland bij elkaar gezien, maar zoals altijd het geval is met dit soort boeken, moet je toch opletten met de geldigheidsdatum van de informatie. Dit is bijvoorbeeld heel duidelijk in het hoofdstuk over het politieke systeem (hoofdstuk 10) waarin kernachtig de belangrijkste politieke partijen worden geïntroduceerd. Inhoudelijk is de ideologische karakterisering en de programmaweergave ad rem en inzichtelijk. Zelfs het ‘verschijnsel’ Pim Fortuyn en LPF is beknopt weergegeven, maar het laatste zinnetje geeft het probleem van dit soort overzichtsschetsen heel goed weer: ‘The political landscape has been dramatically redrawn, with results that are impossible to foresee’ (104). Shetter is zich trouwens zeer goed bewust van dit probleem, want hij schrijft in zijn woord vooraf ‘any attempt to capture a many-sided modern society will begin slipping out of date the moment it appears’ (6). Dat belet niet dat Shetter ondertussen het meest actuele boek over Nederland op de markt heeft: er is op dit ogenblik geen evenwaardig Nederlandstalig equivalent. Zelfs het eerder door mij enthousiast besproken boek van Van der Lans en Vuijsje, Lage landen, hoge sprongen heeft niet de informatieve densiteit en de beknoptheid van Shetters handboek. Tot slot van mijn bespreking wil ik nog een paar punten aanstippen. Vooreerst iets over de illustraties. Die zijn sober: zwart-witfoto’s, spotprenten, schema’s – maar ze zijn altijd functioneel en de bijschriften bieden vaak opmerkelijke syntheses. Bovendien worden sommige complexe realiteiten heel verhelderend visueel weergegeven. Dat is bijvoorbeeld het geval met de bestuurniveaus (92), de sociale zekerheid (63) of het bijzonder ingewikkelde onderwijssysteem (70). Een tweede zaak die bewondering verdient, zijn de scherpe interpretaties en observaties die Shetter weet te maken over actuele dilemma’s en discussies en dat in een beperkte ruimte. Zelfs wie in Nederland geboren en getogen is zal soms verrast opkijken over zijn zin voor synthese en zijn doorzicht. Door de behoefte aan beknoptheid komt de lezer er soms bekaaid af. Dat is bijvoorbeeld het geval als men iets meer zou willen weten over het euthanasiedebat in Nederland. Dit debat wordt wel vermeld en in zijn juiste context geplaatst, maar wat de inhoud van het debat is wordt in het midden gelaten met de vage frase: ‘the practice remains highly controversial even within the country’ (67). Alles bij elkaar is dit boek een noodzakelijke aanwinst voor de bibliotheek Nederlandkunde van elke afdeling Nederlands in het buitenland.

Naast dit gedegen, streng inventariserende boek van Shetter ligt hier nog een laatste boek ter bespreking op mijn werktafel. Een dikke pil van meer dan vierhonderdzestig bladzijden, gedrukt op crèmekleurig papier en met een titel en een kaft die meteen aanspreken. Dromen van Holland. Buitenlandse kunstenaars schilderen Holland 1800-1914 (2002) is het levenswerk van Hans Kraan, die zich sinds het begin van zijn werkzaamheden bij het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie intensief heeft beziggehouden met het onderzoek naar buitenlandse kunstenaars die in de negentiende en de vroege twintigste eeuw Nederland bezocht hebben, en naar de invloed van deze bezoeken op hun werk. Dankzij de voorbeeldige eindredactie van Ingrid Brons is dit levenswerk van de zieke auteur nu toch gepubliceerd. Dit zeer uitvoerig gedocumenteerde boek geeft een uiterst gedetailleerd beeld van de ontdekking van Nederland als een land met een aparte en bewonderenswaardige artistieke eigenheid. Die ontdekking is al vrij vroeg gedaan, maar is toch vooral een zaak van de Romantiek en hield ten nauwste verband met de herwaardering van de Hollandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Zoals ik in mijn recente boek Eén en toch apart (2002) uitvoerig toelicht, is die herontdekking vooral een Franse aangelegenheid geweest die door Hippolyte Taine met zijn bevlogen Philosophie de l’Art, Eugène Fromentin met zijn Les maîtres d’autrefois en Henry Havard met zijn Histoire de la peinture hollandaise werd bewerkstelligd en daarna gretig door Busken Huet werd overgenomen in zijn Het land van Rembrand. Kraan beschrijft hoe buitenlandse kunstenaars en kunstcritici, zowel Franse, Engelse, Duitse als Amerikaanse, Nederland erkenden als een land met een heel eigen artistieke identiteit. De opmerking in de reisherinnering van de portretschilder Johann Heinrich Wilhelm Tischbein uit 1810 is een verre echo van het citaat van Freriks: ‘Geen land kan men, zonder er zelf geweest te zijn zo goed aan de hand van schilderijen leren kennen, als Holland’ (21). Zeer veel schilders hebben met hun gezamenlijke productie van letterlijk honderden typisch Hollandse landschappen, maar ook met kopieën van Oude Hollandse Meesters, een iconografisch beeldmerk geschapen van een Hollandse artistieke identiteit. De vreemde ogen hebben Holland ontdekt en in artistiek epigonisme, maar ook in argeloze bewondering voor het Hollandse landschap een ‘blijvend beeld der Hollandse kunst’ gecreëerd. In Engeland had zich al tegen het einde van de achttiende eeuw een voorliefde ontwikkeld voor het land van Rembrandt, Van Ruisdael en Cuyp. Later maakten ook de Fransen met hun voyages pittoresques kennis met het lieflijke Hollandse landschap. De Duitsers volgden in hun voetspoor, maar hun voorkeur ging vooral uit naar de Hollandse kust. Onder invloed van het opkomende realisme werden tot dan toe nauwelijks bekende meesters als Frans Hals en Vermeer herontdekt. Hierin speelden Franse realisten als Gustave Courbet en Jean-François Millet een belangrijke rol. Het is trouwens opvallend hoeveel imitatie en kopie van zowel landschappen als portretten er toen werd bezorgd, maar nog opvallender is de vaak slechte kwaliteit van die kopieën. Ik vermeld hier bijvoorbeeld de slechte imitatie van Frans Hals door onder meer Gustave Courbet (Malle Babbe, 151). Na de realisten hadden vooral de Franse impressionisten onder leiding van Claude Monet belangstelling voor het land van licht, lucht en water dat de zeventiende-eeuwse Nederlandse kunstenaars zo schitterend vorm gegeven hadden. Op het einde van de negentiende eeuw werden vooral Marken en Volendam enorme trekpleisters voor buitenlandse schilders, dit onder meer door de publicaties van Havard. Ondertussen ontdekten ook Amerikaanse schilders de bonte kleurenrijkdom van de tulpen- en hyacintenvelden en was er een ware Holland-mode ontstaan. In een apart slothoofdstuk geeft Ingrid Brons dan nog een schets van de Hollandse invloed in de twintigste eeuw.
Dromen van Holland is een rijk gestoffeerd verhaal, met heel veel illustraties, zowel visuele als tekstuele. Maar het boek mist enigszins de synthese. Weliswaar komen schilders en kunstcritici zelf uitvoerig aan het woord in de vorm van dagboekfragmenten, briefuittreksels en memoires, maar het ontbreekt vaak aan een samenhangende en afgeronde karakterisering van het Hollandbeeld of de Hollandvisie. Wat nu finaal het beeld was dat Henri Havard of Sir Joshua Reynolds hadden van de Hollandse schilderkunst krijgt de lezer niet samengevat. Er is heel veel anekdotisch materiaal en er is een ontzettend documentair werk verricht, maar de synthese ontbreekt. De eindredactrice heeft er nog alles proberen aan te doen door aan het begin van de hoofdstukken een korte intro te schrijven, maar die ondervangt niet de mankerende afwerking van de hoofdstukken zelf. En dat is een beetje jammer.

Tot hiertoe heb ik mij beperkt tot de buitenlandse ogen die naar Nederland keken. Maar wat zien buitenlandse ogen die naar Vlaanderen kijken? Wie deze vraag stelt denkt natuurlijk in de eerste plaats aan het schitterende boek Het fraaie gelaat van Vlaanderen (1991) van de Brits-Vlaamse historica Patricia Carson dat tegelijker tijd in het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels verscheen. Deze diepgaande historiserende studie die met milde ironie, met kritische liefde, maar vooral met grondige kennis geschreven is nog steeds niet overtroffen. Recent is daar wel de bundel Vlaamse identiteit: mythe én werkelijkheid (2002) bijgekomen onder redactie van Paul Gillaerts, Hilde van Belle en Luc Ravier. Behalve de twee inleidende referaten die een historisch overzicht geven van de verschuiving van de Belgische naar de Vlaamse identiteit en proberen de vraag te beantwoorden of Vlaanderen en Nederland een culturele identiteit delen, geeft het boek de actuele beeldvorming van Vlaanderen in buitenlandse ogen: Anglo-Amerikaanse, Duitse, Spaanse, Russische, Franse en zelfs Waalse. Het beeld is vaak aan de literatuur ontleend of met literaire bewijsplaatsen gestoffeerd. Zo blijkt uit het Vlaanderenbeeld dat Erik Hertog uit de Anglo-Amerikaanse literatuur gepuurd heeft dat de specifieke markeerpunten in de beeldvorming over Vlaanderen de ‘groote oorlog’ (1914-1918) en de late Middeleeuwen met de historische steden en de schilderkunst van de Vlaamse Primitieven zijn. Toch is het imago niet altijd positief. Reeds bij Chaucer werden de Vlamingen met drank en kroegen geassocieerd en in de hedendaagse Britse media zijn de sterkste associaties met Vlaanderen-België de inefficiëntie en de corruptie. Ook het Duitse imago dat Hans-Werner am Zehnhoff ons schildert is niet onverdeeld positief. Tegenover het romantische Vlaanderen dat Hoffmann von Fallersleben gecreëerd had, stelt de auteur zijn eigen ‘raadselachtige’ Vlaanderen: ‘de inconsequenties van de Vlamingen, het gemakkelijke terugdeinzen voor harde standpunten, hun permanente voorkeur voor compromissen, ook al zitten ze in een sterkere positie. Is dat een gebrek aan strategie, of is dat net hun strategie?’(72). De auteur geeft ruiterlijk toe: ‘Duitsers hebben heel veel tijd nodig om dit Vlaamse fenomeen te begrijpen, want Duitsers neigen eerder tot een rigoureus moralistisch standpunt en zouden niet in staat zijn tot dergelijke soepele strategieën’(ibidem). Hij rondt zijn kijk af met de volgende constatering: ‘the rich and the beautiful bestaan in Vlaanderen niet, de “BV” (= bekende Vlaming), de Vlaamse variante van een VIP, is eigenlijk de ironisch-kleinburgerlijke negatie ervan’ (75). Voorwaar geen flatterende spiegel die ons wordt voorgehouden.
Met dit kritische hetero-imago van de Vlaming, eindig ik de blik in de spiegel die buitenlanders ons voorhouden. U hebt gemerkt dat die spiegel veel weg heeft van een dodehoekspiegel: hij laat ons vooral dát zien wat vaak aan onze blik ontsnapt. Hopelijk is ook enigszins duidelijk geworden, hoe in de dialoog van de stemmen van binnen en de stemmen van buiten, het telkens weer voorlopige beeldmerk van de Nederlandse en Vlaamse culturele identiteit vorm krijgt.

 

Besproken titels
 

Bibliografie