Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

Neerlandica extra muros online

Kroniek van de taalkunde; jaargang 43, 1 (2005)

Kroniek van de taalkunde 2003/2004

J.M. van der Horst (Leuven)

[Versie om af te drukken]

Veel mensen denken dat spreekwoorden een diepe wijsheid bevatten. Ik geloof daar niets van. Ik moet het eerste spreekwoord nog tegenkomen dat ook maar een klein beetje wijsheid bevat, diep of ondiep. Spreekwoorden zijn gewoon een andere manier om te zeggen wat je van iets vindt. En het is een nogal oubollige manier.
Neem nu eens een spreekwoord als: ‘Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten’. Wat is daar diep aan? Men gebruikt zo’n spreekwoord om aan te geven dat iemand zijn medemensen, zijn collega, zijn buurman, niet vertrouwt, en dat dat komt doordat hij zelf ook vals speelt. Maar of het echt daardoor komt, is zeer de vraag. Als mijn collega een oplichter is, en ik weet dat, heb ik reden om hem te wantrouwen. Dat hoeft niet te komen doordat ik zelf ook een schurk ben. Iemand kan nu zeggen: in die situatie gebruiken we dit spreekwoord dan ook niet. Akkoord, maar ik concludeer dan dat het spreekwoord alleen maar bruikbaar is in situaties waarin iemands achterdocht inderdaad voortvloeit uit zijn eigen kwade inborst. Oftewel dat dit spreekwoord alleen maar bruikbaar is, als het bruikbaar is. Dat is een open deur intrappen. Je kunt niet in het algemeen zeggen dat wantrouwen komt door eigen slechtigheid. Soms wel en soms niet. Het spreekwoord heeft daar niets aan toe te voegen. In situaties waarin het wčl zo is, kan je het gebruiken, en anders niet. Wie het spreekwoord gebruikt, zegt in feite niets anders dan: dit is zo’n situatie.
Soms is één vogel in de hand beter dan tien in de lucht. Maar menigmaal is het andersom veel beter: beter tien in de lucht dan een in de hand. Niet alleen uit oogpunt van milieu is dat beter, maar ook als het gaat om investeren. Ik geef toe dat we dan het spreekwoord niet gebruiken, maar dat is precies wat ik zeggen wil: het spreekwoord is alleen maar waar in situaties dat het waar is. Het idee dat spreekwoorden wijsheid zouden bevatten, is een merkwaardige vergissing. Spreekwoorden geven slechts commentaar, en dat op een afgezaagde manier.
Of het nu daardoor komt of door iets anders, spreekwoorden worden tegenwoordig minder gebruikt dan vroeger. En als men ze gebruikt, dan vaak met iets van een verontschuldiging. Iedereen kent die van de ezel: ‘Een ezel stoot zich in ’t gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen’. We kennen die ezel zo goed, dat het banaal is om het spreekwoord weer eens te debiteren. Het is een afgezaagde overjarige ezel. Je komt hem dan ook zelden meer tegen in zijn natuurlijke staat.

Ondertussen kennen we hem wel, allemaal. We houden hem als het ware vlak onder het oppervlak van onze spraak; hij is er, maar we laten hem niet te voorschijn komen. Althans niet helemaal. Of anders met de toevoeging: ‘spreekwoordelijk’. Dan zeggen we, als de situatie daar aanleiding toe geeft: ‘Je bent nog erger dan de spreekwoordelijke ezel’.
Afgaande op het gebruik van het woord ‘spreekwoordelijk’, moeten veel mensen een hekel hebben aan de volle spreekwoorden. Hetzelfde lijkt te gelden voor een stoet aan vaste uitdrukkingen. Spreekt iemand over ‘het topje van de ijsberg’, dan is nu de kans groot dat hij het heeft over ‘het spreekwoordelijke topje van de ijsberg’. Men zegt niet meer: ‘Dat is de druppel die de emmer doet overlopen’, maar: ‘Dat is de spreekwoordelijke druppel’. Als men de gehele uitdrukking of het hele spreekwoord gebruikt, lijkt men zich daarvoor als het ware te verontschuldigen door er ‘spreekwoordelijk’ bij te zeggen: ‘Als het spreekwoordelijke kalf verdronken is, dempt men de put’. Men heeft het over: ‘Je kon ’s avonds op de Coolsingel het spreekwoordelijk kanon afschieten zonder iemand te raken’. Of: ‘om hier een spreekwoordelijk stokje voor te steken’. Of: ‘want ik zie door de bomen het spreekwoordelijk bos niet meer’. Of: ‘We willen benadrukken dat er geen sprake is van het spreekwoordelijke addertje onder het gras’. Of zelfs twee keer: ‘Tja, in dit verhaal worden de spreekwoordelijke appels weer vergeleken met de spreekwoordelijke peren’. Het ziet ernaar uit dat hoe minder de spreekwoorden en uitdrukkingen in tel zijn, hoe vaker men het woord ‘spreekwoordelijk’ in de mond neemt.
Een heel arsenaal aan spreekwoorden en uitdrukkingen dat nog wel algemeen bekend is, kan men feitelijk niet of nauwelijks meer in ernst gebruiken. Karel van het Reve heeft daar bij verschillende gelegenheden al eens op gewezen.
Ondertussen heeft onze samenleving een stroom van geheel andersoortige uitdrukkingen en zegswijzen ontwikkeld die in de handboeken voor spreekwoorden en uitdrukkingen nog hoegenaamd niet vermeld staan. Die zijn vaak ontleend aan de reclame, aan boek- en filmtitels, of aan uitspraken van beroemdheden. Zo zijn uit de reclame afkomstig: blij dat ik rij; vakmanschap is meesterschap; een ei hoort erbij; even een vlekje wegwerken; en dan is er koffie; hij klopt, hij veegt en hij zuigt (oorspronkelijk gezegd van een stofzuiger; nadien ook van huismannen); hapt zo heerlijk weg; met de wilde frisheid van limoenen; witter dan het witste konijn; u weet wel waarom; vlug, veilig en voordelig; laat niet als dank voor ’t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ’t bosch de schillen en de doozen; een kind kan de was doen, en zo talloze meer.
Ook citaten en titels van boeken en films worden tot gevleugelde woorden. Iedereen kent de uitspraak over de neus van Cleopatra, dat als die korter was geweest, het aanzien van de wereld anders was geweest. Of: ‘Mijn koninkrijk voor een paard!’ Of: ‘Partir c’est mourir un peu’. Of: ‘Meedoen is belangrijker dan winnen’. Maar van wie zijn ze afkomstig? Of althans: hoe lang zeggen we dit al?

Gaat het om citaten van beroemdheden, dan is dat vaak terug te vinden in citaten-woordenboeken. Maar de grenzen tussen citaat, reclame, boektitel, dichtregel, gevleugeld woord enz. zijn dikwijls vaag. Lexicografisch is dit grotendeels een braakliggend terrein. Zo goed als de echte spreekwoorden gedocumenteerd zijn (die weinig meer gebruikt worden), zo slecht is dit grote gebied van de gevleugelde woorden beschreven (die wel veel gebruikt worden, en onmisbaar zijn voor het verstaan van hedendaags Nederlands).
Marc De Coster heeft in zijn Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliché’s, kreten en slogans van 1998 al een serieus begin gemaakt met het inventariseren. Een belangrijke volgende stap is nu gezet door Jaap Engelsman, met zijn Bekende citaten uit het dagelijks taalgebruik. Engelsman bespreekt er minder dan De Coster, maar hij gaat er veel dieper op in. Engelsmans belangstelling ligt trouwens ook iets meer bij de citaten, maar de afgrenzing is niet zeer streng. De neus van Cleopatra staat er niet in (teruggaand op Pascal, Pensées VIII, 29), maar wel andere bekende als het krinklende winklende waterding (Gezelle) en overigens ben ik van mening (Cato). Die mogen eenvoudig te traceren zijn, moeilijker zijn al de omgevallen boekenkast (waarschijnlijk van Frank van der Goes), het nuttige met het aangename verenigen (Horatius), Nee we noemen geen namen (Seth Gaaikema en Wim Kan) en Meedoen is belangrijker dan winnen (Pierre de Coubertin), De wereld wil bedrogen worden (minstens al sedert 1494), En dan is er koffie (Theo Strengers en Peter Verhoef, 1968) of De wereld gaat aan vlijt ten onder (Max Dendermonde). Om nog maar te zwijgen van notoir moeilijke gevallen als het ijzeren gordijn en de beroemde uitspraak Als de wereld vergaat, ga ik naar Nederland, want daar gebeurt alles vijftig jaar later (niet van Heine).
Dat de afgrenzing van wat Engelsman opneemt, uiterst ondoorzichtig is, beschouw ik volstrekt niet als een bezwaar. Ik denk eigenlijk dat hij opnam waarover hij iets interessants wist te melden, en wegliet wat hij vooralsnog niet weet. Hooguit kan men wensen dat hij voortgaat, en ons over enige tijd een tweede en een derde deel levert. Dat is absoluut nodig.

Een ander belangrijk handboek, vorig jaar verschenen, is het nieuwe Etymologisch woordenboek van het Nederlands (EWN) van M. Philippa, F. Debrabandere en A. Quak. Toegegeven, er is voorlopig alleen deel 1, A-E. Maar dat is genoeg om te zien wat het geheel gaat worden. Het is een serieus en degelijk wetenschappelijk werk. In verschillende opzichten beter dan alles wat we op dit gebied hadden. Al was het maar omdat recente inzichten erin verwerkt zijn (daar zaten we al decennia op te wachten), en omdat op vele plaatsen verwijzingen gegeven worden naar vakliteratuur. Ik moet een gedetailleerde beoordeling van de taalkundige merites overlaten aan recensies in de gespecialiseerde tijdschriften, maar ik heb het volste vertrouwen in de uitkomst ervan.
Dit nieuwe etymologisch woordenboek weet een fraai evenwicht te bereiken tussen informatie over de (soms verre) voorgeschiedenis van de woorden en hun latere lotgevallen. Zowel de vanouds Nederlandse woorden als leenwoorden uit alle eeuwen krijgen gepaste aandacht, zodat er veel meer woorden besproken worden dan in bijna alle andere vergelijkbare werken. Naast arm, dat al een zeer oud woord is, komen zo ook woorden als bikini (sedert 1952), callgirl (sedert 1968) en camper (sedert 1984) aan de orde. Allemaal keurig op hun alfabetische plaats.
En dan heb ik de allergrootste verdienste van dit werk nog niet eens genoemd. Namelijk dat dit het eerste en enige etymologische woordenboek in de hele wereld is dat ik ken, waarin de zaken behoorlijk en begrijpelijk uitgelegd worden. Soms weten de auteurs het niet, en dan staat dat er eerlijk bij: we weten het niet. Maar heel vaak weten ze het wel, en dan wordt het uitgelegd op een manier die de hoogste lof verdient. Het is een goudmijn aan boeiende informatie, en een begrijpelijke, toegankelijke goudmijn.
Uit mijn recensie in Neerlandica/Nederlands van nu (52 (2004), 27-29) citeer ik de volgende alinea, omdat ze mijns inziens niet vaak genoeg herhaald kan worden.
Het is al bij al bitter om te bedenken hoe lang mevrouw Philippa, de oermoeder van het project, heeft moeten leuren bij allerlei instanties om een beetje geld teneinde haar werk te kunnen voortzetten. Een blamage vind ik dat voor de overheidsinstellingen die wetenschappelijk onderzoek dienen te financieren (ik bedoel: afgewogen tegen de prullen die ze soms wel subsidiëren). In het begin deed ze het werk in haar eentje, soms met hulp van een paar studenten en onbezoldigde liefhebbers. Later kreeg ze de krachtige steun van twee andere professionals: Debrabandere en Quak. Maar de onbezoldigde liefhebbers bleven in touw, onder het wakend oog van Philippa, Debrabandere en Quak, en zij allen verdienen een pluim op hun hoed. Bij dezen. Trouwens ook de uitgever verdient een pluim, de Amsterdam University Press, die het heeft aangedurfd dit boek uit te geven, en zo mooi uit te geven. Laten we hopen dat dit eerste deel het pad effent voor de resterende delen 2, 3 en 4. Nu, dat ze er komen, daar twijfel ik niet aan; maar laat het voor de redactie iets minder een financiële lijdensweg zijn.
Voor de etymologie mag hier trouwens ook wel even genoemd worden het onlangs verschenen Etimologiewoordenboek van Afrikaans, door G.J. van Wyk et al., een uitgave van het ‘Buro van die Woordenboek van die Afrikaanse Taal’ (2003).

Vorig jaar schreef ik op deze plaats: ‘Er is een snel groeiende belangstelling voor actuele taalveranderingen’; en: ‘Niet alleen de taalwetenschap, ook het grotere publiek heeft een groeiende belangstelling voor taalgeschiedenis en taalverandering’. Daar was, lijkt me, niets te veel mee gezegd. Het verschijnen van deel I van het Etymologisch Woordenboek sluit daar geheel bij aan. Maar ook de intussen al fameuze bundel Waar gaat het Nederlands naartoe? Panorama van een taal, samengesteld door Jan Stroop (Amsterdam 2003). Vijfendertig specialisten beschrijven, elk op zijn of haar terrein, wat er volgens hen aan het veranderen is in de Nederlandse taal. Dat gaat over de klanken, de vormleer en de syntaxis, maar evengoed over de invloed van het Engels, de positie van andere talen in Nederland en België, over divergentie of convergentie van het noordelijke en het zuidelijke Nederlands, over Verkavelingsvlaams en Poldernederlands, jongerentaal en Murks, over het taalonderwijs en over de moeilijkheid of je iemand met u of met jij moet aanspreken.
Het lijkt me een onmisbaar boek, zowel voor intramurale neerlandici als voor de neerlandici extra muros. Ook al is de functie van het boek voor deze twee doelgroepen allicht niet precies gelijk. Voor ‘die van binnen’ is het onthullend om allerlei verschijnselen die men uit het dagelijkse taalgebruik wel kent, maar waar men geen acht op slaat, hier beschreven te zien als taalverandering. De extramurale neerlandici hebben, juist door hun grotere afstand, daar dikwijls een beter oog voor. Maar anderzijds kan ‘die van buten’ juist door die afstand makkelijker iets ontgaan. Ik bedoel dit: als extramurale neerlandici iets opmerken, beseffen ze eerder dat iets een verandering is; maar soms weten ze überhaupt niet dat iets voorkomt. Kortom: een boek voor iedereen.

Waar ik erg veel plezier aan beleefd heb, dat is Het groot gebarenboek der Lage Landen, van Herman Pieter de Boer, met tekeningen van Pat Andrea. Eigenlijk moet ik zeggen: weer veel plezier aan beleefd heb. Het Groot gebarenboek is namelijk een herziene en vermeerderde uitgave van het Nederlands gebarenboekje (1979) en het Nieuw Nederlands gebarenboekje (1982). Hier worden de gebaren beschreven, en getekend, die wij dagelijks in onze gesprekken maken, soms ter ondersteuning van wat we zeggen, soms in plaats van woorden. Bijvoorbeeld het gebaar voor ‘getikt’ (met wijsvinger tegen het voorhoofd), voor ‘koppie koppie’ (tikkend tegen zijkant van het hoofd), voor ‘achter de ellebogen’ (klop klop op de elleboog), voor ‘door de vingers zien’ (hand met gespreide vingers voor het gezicht). En zo nog vele, vele andere. Al bladerend besef je hoe veel van dergelijke gebaren er eigenlijk zijn. En hoe bekend en algemeen gangbaar ze zijn. Ik ken ze nagenoeg allemaal. Nee, met gebarentaal van doven heeft dit niets te maken. Dat is inderdaad een taal. De gebaren van Herman Pieter de Boer zijn losse gebaren, veelzeggend, niet zelden beledigend of komisch, maar ze vormen tezamen geen taal. Wel zijn ze conventioneel; en ze worden frequent gebruikt. Men kan feitelijk niet aan de taalgemeenschap deelnemen zonder althans de belangrijkste te kennen. Veel van die gebaren zijn internationaal, maar er zijn er ook die elders niet bestaan of een andere betekenis hebben.

En nu ik me toch begeef op het raakvlak van taal en cultuur, mag ik wellicht ook even aandacht vragen voor de studie van Jeroen Blaak, Geletterde levens; dagelijks lezen en schrijven in de vroegmoderne tijd in Nederland 1624-1770. Over onze geleerden en grote schrijvers uit de 17de en 18de eeuw is dikwijls wel een en ander bekend; maar hoe stond het met het lezen en schrijven van de gewone man en de gewone vrouw? We weten dat een aanzienlijk deel van de bevolking inderdaad kon lezen en schrijven, maar wat lazen ze zoal? Hoe vaak schreven ze, en wat, en aan wie? Hadden de mensen zelf boeken, of leenden ze die? En van wie dan? Uit de dagboeken van enkele personen uit die tijd is daarover wel wat te leren; en Jeroen Blaak heeft die gegevens in een uiterst boeiende studie samengebracht.

Niet onvermeld mag blijven dat het Belgische tijdschrift Nederlands van Nu (dat lang geleden Nu Nog heette) vanaf zijn 51ste jaargang, d.i. met ingang van 2003, samengaat met het tijdschrift Neerlandia van het Algemeen Nederlands Verbond. De Combinatie heet Neerlandia/Nederlands van Nu. De redacties blijven gescheiden, en het is ook zichtbaar welke bladzijden van Neerlandia zijn en welke van Nederlands van Nu. Het redactieadres blijft: Peter Debrabandere, Lotenhullestraat 74, B-9881, België (peter.debrabandere5@yucom.be)

En ten slotte kunnen weer enkele feestbundels genoemd worden. Eerst die voor Geert Dibbets, die in Nijmegen doceerde: Bon jours Neef, ghoeden dagh Cozyn!, ed. Els Ruijsendaal, Gijsbert Rutten en Frank Vonk (2003). Een slechte titel, maar een rijke en gevarieerde inhoud. Dat geldt ook voor de omvangrijke bundel voor Johan Taeldeman, die afscheid heeft genomen van de Universiteit Gent: Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal. En als derde: de afscheidsbundel voor Arjan van Leuvensteijn die afscheid heeft genomen van de Vrije Universiteit Amsterdam: Taal in verandering.


Besproken titels