Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

Neerlandica extra muros online

Kroniek van de taalkunde; jaargang 42, 1 (2004)

Kroniek van de taalkunde 2002/2003

J.M. van der Horst (Leuven)

[Versie om af te drukken]

Honderd en honderdvijftig jaar geleden was de historische taalkunde meer in trek dan tegenwoordig. In de loop van de 20ste eeuw raakte dit onderdeel van de taalwetenschap stilletjes uit de belangstelling. In universitaire opleidingen wordt er op het ogenblik zelfs erg weinig aandacht aan besteed. Maar universitaire opleidingen lopen dan ook altijd een beetje achter bij de ontwikkelingen. Want in de wetenschap zelf is de historische taalkunde helemaal terug van weggeweest. Ook al ziet het vak er nu anders uit dan ten tijde van Jakob Grimm en Hermann Paul. Anders dan destijds, toen vooral veranderingen uit een ver verleden bestudeerd werden, is het vertrekpunt nu meestal een verandering die in de huidige taal aan de gang is. Er is een snel groeiende belangstelling voor actuele taalveranderingen. De grote lijn in de ontwikkeling van onze taal is al heel lang bekend. Net als andere Germaanse talen, en algemener net als veel Indo-Europese talen, verliest het Nederlands stap voor stap veel van zijn flectie. Van huis uit hadden deze talen een rijk naamvallensysteem en een al even rijk systeem van morfologisch gemarkeerde werkwoordelijke categorieën. Daar is bijvoorbeeld in het Engels, het Nederlands of het Frans weinig meer van over. De deflectie heeft in de ene taal groter bressen geslagen dan in de andere, maar de hele familie vertoonde dezelfde tendens: deflectie. Met als gevolg de opkomst of versterking van allerlei alternatieven, zoals een intensiever gebruik van voorzetsels en voegwoorden, een vastere woordvolgorde en de opkomst van hulpwerkwoorden. Het overgrote deel van de veranderingen die het Nederlands de laatste duizend jaar of meer heeft meegemaakt, is in feite rechtstreeks of indirect het gevolg van deze deflectie.
Het ziet ernaar uit dat deze tendens nu aan kracht verliest. In mijn artikel ‘Syntaxis in beweging’ (Neerlandica Extra Muros, 41, 3, oktober 2003 ) noemde ik als hedendaagse vormen van deflectie het verlies van de -s in iets bijzonder(s), iets merkwaardig(s), en de omschrijving van comparatieven en superlatieven met meer en meest (meer bijzonder, meest interessant), in plaats van het bijzonderst, het interessantst. Maar veel anders zou ik niet kunnen noemen. De deflectie-tendens is dus nog niet helemaal tot stilstand gekomen, maar de dynamiek van vroeger eeuwen lijkt toch voorbij. En dat niet door gebrek aan ‘voedsel’, dat wil zeggen doordat er gewoon geen flectie meer over zou zijn. Het hedendaagse Nederlands heeft nog heel wat flectie, met name bij de werkwoorden en bij de adjectieven, die potentieel weggesaneerd zou kunnen worden. Maar daar ziet het niet naar uit. De huidige verbale en nominale flectie, deels restant van vroegere flectiesystemen, deels in afgeslankte vorm geherstructureerd en met nieuwe functies, ziet er tamelijk stabiel uit. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor een te verwachten voortgezette deflectie.
In plaats daarvan tekent zich de laatste eeuwen een heel andere tendens af, die intussen veel belangrijker geworden is, namelijk de tendens tot ‘clustering’. In ander verband heb ik eens gesproken over de toenemende ‘stroperigheid’ van de taal. Ik geef de termen graag voor betere. Ik bedoel ermee: het snel groeiende oerwoud aan min of meer ‘vaste verbindingen’, collocaties, fraseologismen, werkwoordelijke uitdrukkingen, idiomen, of hoe men ze ook noemen wil. In het hierboven genoemde artikel schreef ik al:

Er zijn er zeer veel met een werkwoordelijk karakter, zoals in acht nemen, geen flauw idee hebben, zorg dragen voor, op de hoogte brengen, onder ogen komen, ter ore komen, een doorn in het oog zijn, enz. enz. Maar er zijn er ook met een nominaal karakter, als een schot voor open doel; met een adverbiaal karakter zoals zacht gezegd, naar verluidt; of met het karakter van een voorzetsel zoals aan de hand van, met het oog op en naar aanleiding van. De variatie in bouw is enorm, en de graad van ‘vastheid’ overal ongelijk. De taalwetenschap kan er nog niet goed mee overweg. Dit schemergebied tussen enerzijds de woorden en anderzijds de (vrije) woordgroepen en de zinnen heeft men lange tijd als uitzonderingen kunnen afdoen, en het overgelaten aan het lexicon. Intussen is dit domein van de taal zo groot geworden en zo prominent aanwezig in de zinsbouw, dat een nieuwe tak van taalkunde zich daarmee bezighoudt: de fraseologie. Overigens tot nu toe zonder veel succes.

Het is geen toeval dat de belangstelling voor deze materie eerst en vooral van de extramurale neerlandici komt. De fraseologie, in de ruimste zin van het woord - voor moedertaalsprekers geen probleem - is voor de leerder van het Nederlands als tweede taal wel een serieus probleem. Misschien wel zijn grootste probleem. Je kan er niet omheen. Iedereen die Nederlands leert (maar voor het Engels enz. geldt hetzelfde), zal zich op de een of andere manier dit doolhof van verbindingen moeten eigen maken. En mijn voorspelling is, gezien de taalontwikkeling, dat dit domein alleen maar groter zal worden.
Dit is de achtergrond waartegen ik het verschijnen van Piet de Kleijns Combinatiewoordenboek zo interessant vind. Het behandelt in alfabetische vorm combinaties van zelfstandige naamwoorden en werkwoorden. Dat we een wandeling maken, maar boodschappen doen; dat je een vergadering kan verlaten, evenals een politieke partij; dat je ook uit die partij kunt treden of die partij de rug toekeren, maar niet uit een vergadering kunt treden. In feite dus nog maar een klein stukje van het enorme fraseologische terrein. Maar het is een begin.
Over de juistheid, de volledigheid of de praktische bruikbaarheid van De Kleijns woordenboek wil ik hier niet spreken. Dat zal elders in dit blad door anderen gedaan worden. Ik noem het nu als een belangrijk signaal aan de vooral intramurale neerlandistiek: ga eens wat meer aandacht besteden aan de synchronisch en diachronisch waarschijnlijk meest dominerende eigenschappen van het Nederlands. Het wordt tijd.

Niet alleen de taalwetenschap, ook het grotere publiek heeft een groeiende belangstelling voor taalgeschiedenis en taalverandering. We hadden al mijn boekje (samen met Fred Marschall) Korte geschiedenis van de Nederlandse taal (1989; 4e druk 2000), Marijke van der Wal (samen met Cor van Bree) Geschiedenis van het Nederlands (1992, 2e druk 1994), J.W. de Vries, R. Willemyns en P. Burger, Het verhaal van een taal (1993), en recenter M.C. van den Toorn e.a. (red.), Geschiedenis van de Nederlandse taal en mijn Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw (samen met K. van der Horst) (1999). Daar is nu bij gekomen: Roland Willemyns en Wim Daniëls, Het verhaal van het Vlaams; de geschiedenis van het Nederlands in de zuidelijke Nederlanden.
Willemyns en Daniëls bespreken de complete geschiedenis, van het oudste Oudnederlands tot en met de huidige toestand in Brussel, maar ze beperken zich welbewust tot het zuidelijke Nederlands. Dat is: het Nederlands in België. Maar als titel was dat natuurlijk onbruikbaar omdat je voor 1830 niet over België kunt spreken. Met dat ‘Vlaams’ in hun titel sluiten ze aan bij het spraakgebruik dat nu eenmaal het zuidelijke Nederlands vaak Vlaams noemt. In hun inleiding wordt uitgelegd dat ze beslist niet bedoelen dat het ‘Vlaams’ en het Nederlands twee aparte talen zijn. Naar mijn idee hadden ze dan ook beter een andere titel gekozen. Op deze manier voed je een misverstand dat je zegt te willen bestrijden. De ondertitel is beter.
Uiteraard zijn er overlappingen met enkele van de bovengenoemde boeken. Vooral wat de eerste hoofdstukken betreft. Het belang van het boek moet dan ook gezocht worden in de hoofdstukken over de 17de, 18de en 19de eeuw. Die komen er in de algemenere boeken over de taalgeschiedenis inderdaad wel eens bekaaid van af. Terwijl er toch juist veel interessants over te vertellen valt. Veel nieuws ook. Over het algemeen wordt de periode 1600-1830 van het zuidelijke Nederlands beschouwd als weinig interessant. De taalontwikkeling in het zuiden zou stagneren, en de taal zelfs in verval zijn. Geen wonder dat de belangstelling dan al gauw naar het noorden gaat, waar het Nederlands in die periode juist een grote bloei beleeft, en tot standaardisering geraakt. Dit traditionele beeld van het zuidelijke Nederlands is minstens ongenuanceerd, en waarschijnlijk zelfs gewoon onjuist. Recent onderzoek, niet in de laatste plaats van Willemyns zelf, maar ook van anderen, laat zien dat de zuidelijke taalgeschiedenis van 1600-1830 heel wat meer te bieden heeft dan tot dusver werd aangenomen. Met die zogenaamde stagnatie valt het nogal mee, er gebeurde veel meer, en de altijd weer genoemde verfransing blijkt feitelijk een veel later verschijnsel dan men veelal aanneemt. Er is inderdaad alle reden om dit stuk geschiedenis te herschrijven.

Iets heel anders, maar ook met ‘Vlaams’ in de titel, is het Vlaams-Nederlands Woordenboek van Peter Bakema e.a. Hoe men ook over de verhouding tussen het noordelijke en het zuidelijke Nederlands denkt, en daar wordt zeer verschillend over gedacht, iedereen is het erover eens dat er verschillen zijn. Verschillen in de uitspraak, in de woordenschat en in de houding ten opzichte van taal. De Nederlander in België, en ik mag erover meepraten, stuit dagelijks op zaken die anders heten dan in Nederland. Vele malen hebben we moeten vragen wat dit of dat betekent. Zoals bij mijn pillen zijn plat, dallen, pupiter, plaats, dubbel, doopsuiker, avondkleed, amigo, omnium, spitant, denkpiste. Een woordenboek is geen overdaad.
Er is enige moed voor nodig om zo’n woordenboek te maken. Dat bleek destijds al bij Walter de Clerck z’n Zuidnederlands woordenboek (1981), overigens al lang niet meer verkrijgbaar, en recenter bij Ton van der Wouden met zijn Verboden op het werk te komen (1998) (beperkter, en minder serieus). Woordenboeken als deze kunnen ‘zich verwachten aan’ een stroom van (Vlaamse) kritiek: dat er te weinig in staat, en/of dat er te veel in staat. Dat komt in de eerste plaats doordat het Algemene Nederlands in België minder homogeen is dan het noordelijke Nederlands, en daardoor moeilijker is af te grenzen: wat is algemeen, en wat is dialect? In de tweede plaats komt het doordat verschillen van opvatting onmiddellijk aanleiding geven tot heftige reacties: taalkwesties liggen hier gevoelig. Petje af voor Bakema en de zijnen, dat ze desondanks een serieuze poging doen. Er staat veel in hun woordenboek, en de betekenisomschrijvingen zijn zo neutraal mogelijk. Het boek heeft alles in zich om in een tweede en derde druk verder vervolledigd en verbeterd te worden.

Ik meen overigens dat het gebruik van het woord ‘Vlaams’ niet het enige is dat de geschiedenis van Willemyns & Daniëls verbindt met het Vlaams Woordenboek van Bakema en de zijnen. Het komt mij voor dat ze ook eenzelfde achtergrond hebben. Ik noem die nu maar: de nieuwe Vlaamse fierheid. Nu was er onder de Vlamingen ook in het verleden aan fierheid geen gebrek. Maar de ‘oude Vlaamse fierheid’ was toch vooral gericht op de franstaligen: pas op, ook wij spreken een waardevolle cultuurtaal. Tegenover Nederlanders was de Vlaming doorgaans minder fier, altijd bezorgd of zijn zuidelijke Nederlands de strenge randstedelijke toets wel kon doorstaan. Dat neemt nu af. Voor een groeiend aantal Nederlandstalige Belgen is de noordelijke norm niet langer de enige of de belangrijkste norm. Men is zich bewust van talrijke noord-zuid verschillen, maar vindt meer en meer dat het zuidelijke Nederlands evengoed bestaansrecht heeft als het noordelijke. Men is minder geneigd zich aan het noorden aan te passen. Voor de meesten mag dit alles wel ‘Nederlands’ blijven heten (slechts een kleine minderheid wenst van een aparte Vlaamse taal te spreken), maar dat Nederlands heeft dan wel twee polen, twee normcentra, twee taalculturen. De ‘nieuwe Vlaamse fierheid’ is gericht op Nederlanders: pas op, ook al spreken we een beetje anders, dat is evengoed algemeen beschaafd Nederlands, hetgeen men zou kunnen uitleggen als de emancipatie van het zuidelijke Nederlands binnen het geheel van de Nederlandse taal. Overigens lijkt die emancipatie me pas voltooid als er ook een speciaal woordenboek zou verschijnen waarin aan de Vlaming al die woorden worden uitgelegd die uitsluitend in Nederland gangbaar zijn. Zo’n woordenboek is er nog niet.
Dat er over de notie ‘standaardtaal’, ‘algemeen Nederlands’, enz. de laatste tijd anders gedacht wordt dan enkele decennia geleden, moge ook blijken uit de bundel Taalvariatie & Taalbeleid (red. Johan De Caluwe e.a.). De Taalunie organiseerde in het jaar 2000, bij haar twintigste verjaardag, een conferentie in Gent met de naam: ‘Taalbeleid en Taalvariatie’. Een mijlpaal. Deze bundel bevat de meeste lezingen van die conferentie. In de voorbereidende stukken was het nieuwe klimaat meteen merkbaar: er zou voortaan een wat ander beleid gevoerd gaan worden. Was het tot dan toe ‘gericht op de taal als gegeven, als waarde op zich’, het zou zich voortaan richten op ‘de talige en communicatieve behoeften van burgers en gemeenschappen’. Dat klinkt nogal ambtelijk, maar de goede verstaander begreep heel goed wat er anders zou worden. Het komt erop neer dat de Taalunie zich niet langer exclusief richt op die ene standaardtaal, die liefst in noord en zuid zo gelijk mogelijk moet zijn. Ze is zich bewust van de verschillen tussen noord en zuid, van de verschillen binnen het noordelijke en binnen het zuidelijke Nederlands, en zelfs van de vele minderheidstalen die binnen het taalgebied bestaan. Meer nog: die varianten en die andere talen hebben maar al te vaak in verschillende omstandigheden hun specifieke nut en waarde. En problemen. Het ideaal van de homogene standaardtaal (nog steeds de eerste doelstelling in het Taalunie-verdrag) wordt op een laag pitje gezet ten gunste van een open oog voor de varianten en minderheidstalen (waarover het verdrag niets zegt).
De Taalunie heeft daarmee zichzelf, de variatielinguïstiek en de samenleving een mooi cadeau gegeven bij haar twintigste verjaardag. Een cadeau waarvan het stemgeluid nog jaren door zal klinken. Het is een bijzonder interessante bundel. Niet alleen voor iedereen die zich bezighoudt met taalvariatie en taalbeleid, maar ook voor wie belangstelt in het wel en wee van het algemene Nederlands: standaardtaal zal in de 21ste eeuw iets heel anders zijn dan in de 20ste eeuw. Nee, ik denk niet dat de standaard zal ophouden te bestaan, maar hij zal anders tot stand komen, zich anders handhaven, en vrij zeker een beperkter actieradius hebben.

Voor je het weet is je hoekje vol. Ik heb te veel gebabbeld over fraseologie, over het zuidelijke Nederlands en het ABN. Terwijl er nog zoveel mooie boeken op tael liggen.
Bijvoorbeeld de voorbeeldige heruitgave van P.J. Veths woordenboek Uit Oost en West, ook dit weer door, jawel, Nicoline van der Sijs. Veth’s verklaring van vele woorden uit Nederlands-Indië (adat, ampas, krandjang, slamat en zo vele meer), oorspronkelijk verschenen in 1889, was al lange tijd zelfs antiquarisch moeilijk te verkrijgen. Voor deze uitgave heeft Van der Sijs bij de letterlijke tekst van Veth ook de aanvullingen van H. Kern en van F.P.H. Prick van Wely opgenomen, en gelukkig zo dat zichtbaar blijft wat van wie afkomstig is.
Ook een heruitgave van een zeldzaam boek is Boeven-jargon van Henry Roskam (door Ewoud Sanders en Nicoline van der Sijs). Dit boek was zelfs zo zeldzaam, dat niemand het ooit gezien had. Het werd aangekondigd in Onze Taal in 1949, maar daarna werd er niets meer van gehoord. Achteraf blijkt dat er toen van uitgave niets gekomen is; het manuscript werd gevonden in de nalatenschap van J.G.M. Moormann. Eigenlijk zou ik het dus geen ‘heruitgave’ mogen noemen. Toch goed dat het er nu is.
Wat ook beslist niet ongenoemd mag blijven, is Frans Debrabanderes West-Vlaams etymologisch woordenboek. Het belang van het boek gaat veel verder dan alleen het West-Vlaams; het is een grote aanwinst voor de etymologie van het Nederlands in het algemeen. Debrabandere is er de man niet naar om enkel te verzamelen en over te schrijven wat elders al te vinden is. Hij is een oorspronkelijk en kundig etymoloog, creatief, maar geen fantast. Kortom: een vakman zoals we er momenteel helaas niet veel hebben.
Om nog maar te zwijgen van L. Koelmans, die na zijn studies over de klankleer (1959) en de woordenschat (1997) bij Michiel de Ruyter, nu eindelijk ook met het lang-verwachte en -beloofde boek over de morfologie en de syntaxis van De Ruyter komt: Het Nederlands van Michiel de Ruyter; morfologie, woordvorming, syntaxis.
Zoals bekend wordt er op ‘t ogenblik gewerkt aan de samenstelling van een Oudnederlands Woordenboek. Dat bestrijkt de periode van vóór het Middelnederlands, grofweg: vóór 1200. Hoofdredacteur is W.J.J. Pijnenburg, verbonden aan het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden. Het zal nog wel enkele jaren duren voordat dit Oudnederlands Woordenboek gereed is. Ondertussen heeft de redactie op 19 april 2002 te Leiden een boeiend colloquium gehouden over het Oudnederlands. De lezingen, aangevuld met enkele andere artikelen, zijn als Oudnederlands themanummer van de Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik verschenen als deel 57.
Vervolgens wil ik graag de handelseditie noemen van het proefschrift van Margit Rem: De taal van de klerken uit de Hollandse grafelijke kanselarij (1300-1340); naar een lokaliseringsprocedure voor het veertiende-eeuws Middelnederlands. Zonder twijfel een nogal specialistische studie, maar zo zeldzaam mooi uitgegeven, dat ze alleen al daardoor stellig anderen zal stimuleren vergelijkbaar onderzoek te doen naar de 14de-eeuwse taalgeschiedenis.
En ten slotte, op de valreep: ik krijg zojuist de derde druk binnen, herzien en uitgebreid, van het Van Dale woordenboek Hedendaags Nederlands van P.G.J. van Sterkenburg. ‘t Is maar vast dat u weet dat die er is.


Nieuwe uitgaven, genoemd in deze kroniek: