Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

Neerlandica extra muros online

Kroniek cultuur en maatschappij der Nederlanden; jaargang 40, 3 (2002)

1602 - VOC - 2002

L. Beheydt (Louvain-la-Neuve)

[Versie om af te drukken]

Wie op het Centraal Station van Amsterdam uit de trein stapt, staat niet ver van de plek waar eens de rede van Amsterdam is geweest. Het was de plaats waar de grotere schepen hun lading overdeden op kleine platbodems, die de producten direct bij de pakhuizen afleverden. Vanaf het kraaiennest op het stadhuis werd dit alles met een verrekijker nauwlettend in de gaten gehouden door de burgemeesters van de stad, die naast bestuurders toch bovenal kooplieden waren.
Wie nu langs de Amsterdamse grachten slentert, ruikt de geur van muf water. In de zeventiende eeuw zou men echter bedwelmd zijn geraakt door de aroma’s van peper, foelie, kaneel en kruidnagel. Vandaag de dag is de binnenplaats van het Oostindisch Huis, als men uit de drukke Oude Hoogstraat komt, een oase van rust; men treft er hooguit een verdwaalde toerist of student. Dat was anders in de zeventiende eeuw. Toen dienden de Heren XVII - de gezagvoerders van de VOC, waarvan het stichtingsprotocol in 1602 in Den Haag werd ondertekend - een klacht in omdat het vergaderen hun onmogelijk werd gemaakt door het heidense kabaal van de varkensslachterij die ook in een vleugel van het pand was gevestigd.
 
Vieren of gedenken?
2002 is al weer een jaar van gedenken en herdenken. Dat niet iedereen daar blij mee is, moge duidelijk zijn. Uit het gezichtspunt van het Indonesische volk betekende de VOC-tijd tussen 1602 en 1799 (het jaar van het faillissement) twee eeuwen van onderdrukking en uitbuiting. Bij de officiële herdenkingsplechtigheid op 20 maart liet de Indonesische ambassadeur dan ook verstek gaan. In de media bleek hiervoor veel begrip te bestaan. Een van de organisatoren van VOC-tentoonstellingen, Kees Zandvliet (hoofd van de afdeling geschiedenis van het Rijksmuseum) schreef bijvoorbeeld in NRC- Handelsblad een kritisch artikel met de titel ‘400 jaar VOC - viering met bijsmaakje’.
Kijken naar het verleden doet men vaak vanuit de beleving van het heden en die wordt beheerst door de schaduwzijde van onze Indische bemoeienissen in de negentiende en twintigste eeuw. Telkens weer wordt de vraag gesteld of er eigenlijk wel iets te vieren valt en of we dat niet beter achterwege kunnen laten uit respect voor dood en verderf, aangericht onder de Aziaten die onze handel in de weg zaten. Het lijkt wel of dit ene aspect de publieke opinie over de VOC beheerst. Alle negatieve kanten in aanmerking genomen, moet echter toch worden vastgesteld dat met de VOC een handelsonderneming tot stand werd gebracht, die in de zeventiende eeuw in het westen haar gelijke niet heeft gekend. De Compagnie was meer dan alleen een bloeddorstige oorlogsmachine. Het organisatiecomité van 4.00 jaar VOC heeft wijselijk geprobeerd de Compagnie te bezien vanuit het perspectief van die tijd, maar met oog voor de onze. Aan de ene kant wordt getoond hoe de Hollanders omgingen met de voor hen vreemde culturen in de Oost en hoe op den duur een handelsnetwerk ontstond dat alle hoeken van Azië met elkaar verbond. Aan de andere kant is er ook ruimte voor de negatieve kanten, zoals de dwangcultures van kruidnagelen op Ambon, waaraan in het Maritiem Museum van Rotterdam uitgebreid aandacht wordt besteed.
Vieren doen we het dus liever niet, maar we gedenken wel met overgave. Dit gebeurt met een aantal tentoonstellingen, manifestaties en een bijna onafzienbare reeks publicaties en herpublicaties over de Compagnie.1 Er zijn verhandelingen bij over de handelspolitiek, publicaties van egodocumenten en er is zelfs een facsimile van een achtdelige encyclopedie over Azië die in het eerste kwart van de achttiende eeuw verscheen.2 Voor deze kroniek heb ik uit deze stortvloed van papier zes boeken gekozen om een indruk te geven van de verschillende manieren waarop de VOC door diverse auteurs wordt benaderd.
De geschiedschrijving over de Compagnie is eigenlijk pas ongeveer dertig jaar geleden goed op gang gekomen op initiatief van een aantal Leidse historici en de archivarissen die in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag het ruim 1.200 meter lange VOC-archief beheren. Omdat dit archiefmateriaal relatief goed is bewaard, biedt het een zeer gevarieerd overzicht van de meest uiteenlopende kanten van de Compagnie. In de loop der tijd is het accent steeds meer komen te liggen op het analyseren van bronnen over het dagelijks leven in Azië zelf. Dit zogenoemde Indocentrische beeld vult de westerse literatuur over het contact van de westerlingen met de Oost aan. Jaarlijks komen er vele geleerden uit landen als Japan, Taiwan of Sri Lanka naar Den Haag om stukken te bestuderen, waarmee zij een deel van hun geschiedenis, dat tot dusverre in nevelen was gehuld, kunnen ontsluiten.3 Zoals we nog zullen zien, vinden we bij sommige Nederlandse auteurs nu ook een synthese tussen de Eurocentrische en Indocentrische manier van kijken.
 
VOC en wetenschap
Hollanders lijken in de zeventiende eeuw een sterke behoefte te hebben gehad aan het vastleggen van hun omgeving en deze fascinatie blijkt zich ook te hebben uitgestrekt tot de landen en culturen waarmee zij door de handel in contact kwamen. De bewindvoerders van de VOC zagen vanaf de pionierstijd in dat de onderneming alleen succes kon hebben wanneer men zo goed mogelijk op de hoogte was van het leven in de Aziatische wereld. Kennis en macht gingen samen in de Republiek. De kennis die men wilde vergaren was vooral van praktische aard en ze was bedoeld om specifieke situaties de baas te kunnen. De Compagnie liet dus vanaf het begin studie maken van de landen en volkeren waarmee men werd geconfronteerd. Ze heeft zich weliswaar niet bewust ingezet voor de bevordering van de wetenschap, maar indirect heeft ze wel degelijk bijgedragen tot de ontwikkeling van bepaalde wetenschappelijke disciplines, zoals de botanie.
Een interessante bron over de pioniersjaren van de handel met de Oost is het reisjournaal van het schip Gelderland dat tussen 1601 en 1603 naar Indië voer (onder Indië wordt hier, zoals in de zeventiende eeuw gebruikelijk was, Indonesië en India verstaan). Dit journaal is nu, van een uitgebreide inleiding voorzien, bezorgd door Perry Moree onder de titel Dodo’s en galjoenen. (Uitgeverij Walburg Pers ISBN 9057301717 € 34,95 348 pp.)
Het manuscript dook in de negentiende eeuw op in het bezit van de Remonstrantse Broederschap van Rotterdam en het bleek voor biologen van bijzonder belang te zijn vanwege de prachtige tekeningen van uitgestorven vogels en vissen, die er ter illustratie aan waren toegevoegd. Een integrale uitgave van het journaal liep toen op niets uit, maar de afbeeldingen van dodo’s die erin stonden, werden al gauw legendarisch in ornithologische kringen.
Dit reisjournaal bevat een verslag van de expeditie met vijf schepen van admiraal Wolfert Harmensz naar de Molukken. Het gaat hier om een van de vele ‘voorcompagnieën’ die naar de Oost vetrokken: pas gedurende de reis bereikte hen het bericht dat de Verenigde Oost-Indische Compagnie was opgericht. Aanvankelijk lezen we in het journaal alleen technische gegevens over winden en koersen, maar weldra worden ook interessantere observaties aan het papier toevertrouwd. Een eerste hoogtepunt is het verblijf op het onbewoond geachte eiland Mauritius. Bij een routineverkenning langs de kust van het eiland trof men een verwilderde Fransman aan die zich na een schipbreuk, poedelnaakt, jaren in eenzaamheid in leven had weten te houden. Ter illustratie is een getekend portretje van de man toegevoegd dat vermoedelijk door Joris Joostenz van Laerle werd gemaakt.4 Deze Enkhuizenaar was voor de expeditie aangemonsterd als tweede stuurman en ziekentrooster, maar toen men op volle zee was, bleek hij totaal niet toegerust te zijn voor die taken. Men zat dus met een waardeloos bemanningslid dat niet meer kon worden teruggestuurd. Al snel bleek echter dat Van Laerle een uiterst bekwaam tekenaar was, die men vervolgens de illustratie van het reisjournaal toevertrouwde. Dit resulteerde in de prachtig gedetailleerde tekeningen van bijvoorbeeld inheemse vissen en vogels die nog altijd een belangrijke natuurhistorische bron vormen.
De vier vogelsoorten die Van Laerle op Mauritius aantrof, zijn thans allemaal uitgestorven. De logge dodo spreekt daarvan het meest tot de verbeelding. Het was een loopvogel met rudimentaire vleugels, die op het eiland geen natuurlijke vijanden had. Hij kon zich alleen in veiligheid brengen door hard weg te rennen en gemeen te bijten, dit tot grote vreugde van de bemanningsleden van de Gelderland, die het dodovangen als een leuke sport beschouwden. Men kwam er echter al snel achter dat het dier als voedsel weinig waarde had. Het vlees smaakte zo vies dat het dier onder het scheepsvolk als bijnaam zelfs ‘giffeent’ of ‘walgvogel’ kreeg.
Bij gebrek aan vers vlees werd er onderweg veel vis gevangen om de manschappen te voeden. Daaronder waren dikwijls ook soorten die oneetbaar of zelfs giftig waren. Het reisjournaal vermeldt dat een aantal matrozen zich op Mauritius te goed had gedaan aan een maal van vis, maar dat zij kort daarna allemaal ziek werden “alsofte sy vergeven waren”. Ze kwamen er pas dagen later bovenop na het slikken van een mengsel van olie en azijn (sic!). Op volle zee werd ook de “Deense vis, bijgenaamt boniet, in menichten int schip gevangen”. Deze tonijnen zullen de bemanning zeker beter zijn bekomen en ze werden door Van Laerle dan ook liefdevol vastgelegd. De kwaliteit van de afbeelding is zo hoog, dat ze ook nu nog een foto bij een wetenschappelijk artikel zou kunnen vervangen.
 
In het voorjaar van 2002 werd aan de universiteit van Leiden in het kader van Studium Generale een reeks lezingen georganiseerd met als doel te onderzoeken in hoeverre er verwantschap bestaat tussen de moderne wetenschap en de activiteiten die door de VOC in Azië werden ontplooid. Van deze reeks zijn twaalf lezingen gebundeld in een fraai geïllustreerd boek Kennis en Compagnie: De Verenigde Oost-Indische Compagnie en de moderne wetenschap onder redactie van Leonard Blussé en Ilonka Ooms (Uitgeverij Balans ISBN 9050185746 € 22,50, 191 pp.) Het was de bedoeling om in deze lezingen de nadruk te leggen op de hedendaagse wetenschap, maar in de bijdragen is toch meer te vinden over het verleden dan over het huidige wetenschappelijke bedrijf dat in veel gevallen eigenlijk alleen in de laatste alinea even wordt genoemd. Een iets strakkere redactie van de bundel had overigens een aantal storende overlappingen kunnen voorkomen.
Vooral de bijdragen over de Duitse VOC-dienaar Everhardt Rumphius zijn zeer boeiend. In het laatste kwart van de zeventiende eeuw verzamelde hij zo veel mogelijk gegevens over de flora en fauna van Ambon. Uiteindelijk werden deze in 1704, twee jaar na zijn dood, gepubliceerd in d’Amboinsche Rariteitenkamer. Drie eeuwen later blijkt dit levenswerk, getuige één van de artikelen in deze bundel, nog steeds van onschatbare waarde te zijn voor biologen door de nauwkeurige beschrijving van de soorten en de vindplaatsen ervan. Het is misschien wel leuk om te vermelden dat Rumphius, die pas als volwassene naar de Republiek kwam, vlekkeloos Nederlands schrijft met zeer veel gevoel voor idioom. Na drie eeuwen blijkt dit standaardwerk nog altijd zeer leesbaar en boeiend te zijn. De namen van planten en dieren worden vermeld in het Nederlands, maar ook in de talen van de lokale bevolking. Vooral de verklaringen die Rumphius geeft voor de inheemse benamingen en de verhalen die er rond bepaalde soorten werden verteld, zijn nu nog zeer leuk om te lezen vanwege zijn levendige manier van schrijven.
Wat men zoal over de volkeren en de flora en fauna van Indië ontdekte, werd door de Heren XVII overigens angstvallig verborgen gehouden uit angst voor spionage vanuit het buitenland. Ook de publicatie van Rumphius’ Amboinsche Rariteitenkamer werd zo lang mogelijk tegengehouden. Onderzoek naar planten werd geheim gehouden, omdat het gericht was op hun geneeskrachtige werking of op de bestudering van hun groeiwijze. Kruidenmengsels had men hard nodig om de vele ziekten onder de VOC-dienaren te bestrijden en kennis van de specerijen zou, zo meende men, op den duur de cultivering ervan kunnen bevorderen.
Op den duur begon een handjevol bewoners van VOC-vestigingen uit zichzelf de bevolking, de cultuur en de lokale flora en fauna te bestuderen. Dit ging samen met de groeiende belangstelling in Europa voor het aanleggen van verzamelingen van boeken met prenten en objecten uit verre en exotische streken. De botanische wetenschap maakte in het kielzog van de handelsactiviteiten in Oost en West een bloeiperiode door. Het leidde ertoe dat er een stroom van exotische planten (en dieren) naar Nederland werd gezonden om ten slotte een plaats te vinden in de kassen van de hortussen van Amsterdam, Utrecht en Leiden. In de artikelen in Kennis en Compagnie komt naar voren dat dit vooral een verschijnsel van de late zeventiende en de achttiende eeuw is geweest. Dat maakt eens te meer duidelijk hoe uniek het geïllustreerde reisjournaal van De Gelderland is, waarmee deze paragraaf begon. Het is dus zeker de moeite waard dat het nu in de vorm van het boek Dodo’s en galjoenen voor iedereen toegankelijk is.
 
Egodocumenten
Van een heel andere orde is de verzameling hertaalde egodocumenten uit de geschiedenis van de VOC die door Vibeke Roeper en Roelof van Gelder is samengesteld onder de titel In dienst van de Compagnie: leven bij de VOC in honderd getuigenissen [1602-1799J (Uitgeverij Athenaeum-Polak&Van Gennep ISBN 9025346812, € 19,95, 203 pp.) We volgen aan de hand van deze egodocumenten de hele reis van de compagniedienaar naar de Oost en weer terug: het aanmonsteren, de zeereis, het soms langdurige verblijf in een der factorijen en de retourvaart. Vanwege deze opzet zijn de gebruikte documenten niet chronologisch geordend. Hierdoor schieten Roeper en Van Gelder één van de doelen, die zij zich volgens de inleiding van het boek hebben gesteld voorbij, namelijk een historisch overzicht geven van de ontwikkelingen die gedurende 200 jaar VOC plaatsvonden.
De serie hertalingen begint met een relaas over het ronselen van matrozen rond 1700, maar toen waren de praktijken wezenlijk anders dan aan het begin van de 17e eeuw. Ik heb het ook als storend ervaren dat de inhoudelijke en chronologische volgorde van de teksten binnen de door de auteurs gekozen thema’s nogal willekeurig lijkt. Een ander bezwaar is dat sommige teksten nogal fragmentarisch zijn. Men vraagt zich af hoe een bepaalde geschiedenis is afgelopen, maar de ontknoping wordt ons door Roeper en Van Gelder onthouden.
Toch geeft deze aaneenschakeling van persoonlijke bevindingen een levendig - zij het wat chaotisch - beeld van het leven in dienst van de Compagnie. De dagelijkse besognes worden opgetekend door scheepsjongens en schippers, kooplui en dominees. In de inleiding schrijven de samenstellers, dat het hun er vooral om te doen is geweest te laten zien hoe deze mensen tegenover de volstrekt vreemde culturen stonden, waarmee ze in aanraking kwamen. De honderd fragmenten vormen volgens hen flitsen uit het dagelijks leven in dienst van de VOC. De meerderheid van de opvarenden bestond uit matrozen en aspirant- soldaten. Daarbij moet echter wel worden aangetekend dat hun voornaamste motieven om naar de Oost te gaan geld verdienen of zin voor avontuur waren. De nieuwsgierigheid naar exotische culturen blijkt in de meeste gevallen slechts een ondergeschikte rol te hebben gespeeld.
Zoals gebruikelijk was in de zeventiende en achttiende eeuw, werden de meest aangrijpende gebeurtenissen door de betrokkenen beschreven in een afstandelijke stijl. De samenstellers van dit boek wijzen erop dat de meeste ooggetuigenverslagen naar verhouding afkomstig zijn van het hoge en middenkader van het VOC- personeel. Verschillen in rang zeiden echter weinig over verschillen in achtergrond en afkomst. Het overgrote deel van de compagniedienaren was namelijk van tamelijk eenvoudige komaf. Onder de scheepslieden waren zeer veel Duitsers en Scandinaviërs. De boeiendste egodocumenten die het auteursduo voor ons heeft hertaald, zijn dan ook afkomstig van Duitse Aziëvaarders.
Gaandeweg veranderden de observaties over de kansen die Azië te bieden had. Aan het begin van de zeventiende eeuw bruiste men nog van optimisme en ambitie, maar gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw overheersten de teleurstelling en de verslagenheid over wat men in Batavia aantrof.
Deze verzameling hertaalde egodocumenten is vooral interessant wanneer men belangstelling heeft voor de ervaringen van gewone mensen die oog in oog komen te staan met de ‘grote’ geschiedenis. Bij al het menselijk leed dat wordt beschreven, blijken de historische feiten eigenlijk alleen aanwezig te zijn als een vage echo op de achtergrond. Overigens hebben de samenstellers van dit boek mijns inziens te weinig uitgelegd over de historische context waarin de gebeurtenissen moeten worden geplaatst, zodat een en ander te vaak een beetje in de lucht blijft hangen. Het feit dat het hier om hertalingen gaat van zeventiende- en achttiende-eeuwse bronnen, duidt erop dat het boek is bedoeld voor een breed publiek. De lezers moeten echter wel een gedegen kennis bezitten van het wel en wee van 200 jaar VOC.
De egodocumenten ademen een sfeer van authenticiteit. Ze lieten bij mij de indruk achter dat mensen door de eeuwen heen altijd kampen met dezelfde emoties en gebreken. Bespiegelingen van historici over het erbarmelijke leven aan boord van de schepen of over het feit dat de Compagnie voor velen een noodsprong was vanwege hun uitzichtloze situatie, krijgen in deze brieven en dagboeknotities een extra dimensie. De grootste verschillen tussen toen en nu lijken het oprechte godsvertrouwen van de meeste schrijvers, de intense verveling en de vaak onverbloemde neerbuigendheid waarmee wordt gesproken over andere volkeren en culturen. Maar we moeten niet vergeten dat de Europeanen door de Aziaten soms ook allesbehalve respectvol werden bejegend. Men denke bijvoorbeeld aan de vernederingen die de Hollanders zelf moesten ondergaan aan het Japanse hof. De VOC-dienaren moesten het zich laten welgevallen om daar als een soort gedresseerde apen voor de shogun op te treden om van hem de begeerde handelscontracten los te krijgen.
 
Gaastra, Akveld & Jacobs en De Jong
De Walburg Pers greep de gelegenheid van de VOC-herdenking aan om een heruitgave op de markt te brengen van Femme Gaastra’s standaardwerk De geschiedenis van de VOC, dat twintig jaar geleden voor het eerst verscheen (Uitgeverij Walburg Pers ISBN 9057301849 € 19,95, 192 pp.) De auteur heeft het boek daartoe volledig herzien. Het is een prachtige uitgave, die met al haar fraaie illustraties oogt als een publicatie voor een breed publiek. Wie echter het menselijk detail of sappige verhalen zoekt, komt bedrogen uit. Gaastra is vooral een man van jaartallen, namen, getallen, grafieken en diagrammen. In de inleiding zegt de auteur dat er vanaf 1982 veel over de Compagnie is gepubliceerd, in het bijzonder over de sociale aspecten die een rol hebben gespeeld bij de handel met de Oost. Juist die publicaties waren volgens hem vaak opzienbarend, doordat daarin taboes werden doorbroken of vastgeroeste opinies konden worden weerlegd. Ze zorgden ervoor dat er nu een veel genuanceerder beeld is ontstaan over het dagelijks leven aan boord van de schepen en de contacten die de Europeanen hadden met de Aziatische bevolking. Het is jammer dat daarvan zo weinig is terug te vinden in dit belangrijke boek en dat Gaastra zich vrijwel uitsluitend beperkt tot de economische en bestuurskundige geschiedenis van de VOC vanuit een vrijwel uitsluitend Eurocentrisch standpunt. Wat men in de tekst mist, is af en toe een raak voorbeeld van hoe het er in Azië werkelijk aan toeging. De prachtige illustraties ten spijt blijven de compagniedienaren begraven in het verleden zonder een moment als mens van vlees en bloed voor ons te verschijnen. Dat neemt niet weg dat Gaastra’s Geschiedenis van de VOC een standaardwerk is, waar men voor bestudering van de zakelijke aspecten van de VOC niet omheen kan.
Gaastra’s jubileumboek moet overigens niet worden verward met het nationaal jubileumboek van Leo Akveld en Els Jacobs met de titel De kleurrijke wereld van de VOC (Uitgeverij Toth; bedoeld als handleiding bij de tentoonstellingen in het Scheepvaartmuseum Amsterdam, het Rijksmuseum Amsterdam en het Maritiem Museum Rotterdam ISBN 9068683004, € 17,90, 192 pp). Een echte catalogus is het niet. Het is meer een soort koffietafelboek, waarin de geschiedenis van de VOC nogal fragmentarisch wordt behandeld. In de Volkskrant trok Jan Blokker fel van leer tegen deze publicatie die in zijn woorden ‘behoort tot het soort huiveringwekkend infotainment: kakelbont opgeleukt met illustraties, liefst om de zoveel bladzijden een nieuwe steunkleur die pijn aan de ogen doet en met schreeuwtitels voor de hoofdstukken’. Dit is mij uit het hart gegrepen. Het wordt nergens duidelijk waarom er nu juist voor deze indeling van het boek is gekozen. We schieten continu heen en weer in tijd en plaats zonder dat duidelijk wordt wat de verbanden zijn. Het relaas eindigt bijvoorbeeld niet met het verval van de Compagnie - dat heeft men al halverwege op pagina 93 behandeld - maar met de verrichtingen van niet-Nederlandse compagnieën in Indië. Het boek biedt overigens wel veel leuke illustraties en wetenswaardigheden.
Van een heel andere orde dan Gaastra’s gortdroge Geschiedenis van de VOC en het letterlijk kleurrijke jubileumboek met zijn hoge amusementswaarde is Joop de Jongs De waaier van het Fortuin. (Uitgeverij Sdu ISBN 9012089743 € 15,88) Het boek van De Jong telt 715 dicht bedrukte pagina’s en is spaarzaam geïllustreerd met vaak niet al te beste plaatjes. De ondertitel van dit boek laat al zien dat het een heel andere strekking heeft dan Gaastra’s standaardwerk; De Jong beoogt de geschiedenis van de Nederlanders in Azië en de Indonesische archipel te beschrijven tussen 1595 en 1950. De historie van de VOC is in deze studie dus slechts het ‘voorgerecht’. In zijn inleiding neemt de auteur stelling tegen andere publicaties - zoals die van Gaastra, hoewel deze auteur niet expliciet wordt genoemd - over de Nederlanders in Azië, die zijns inziens te politiek of te economisch zijn. Hij meent dat de wijze waarop Nederlanders zich in hun wonen en werken aanpasten aan Azië en de lotgevallen van de gemengde cultuur die daardoor ontstond, aspecten zijn die te lang onderbelicht zijn gebleven. De Jong heeft gekozen voor een aanpak die meerdere periodes bestrijkt en hij heeft meer dan anderen aandacht besteed aan het cultuuraspect. Dit heeft een zeer boeiend relaas opgeleverd, waarin Eurocentrische en Indocentrische gezichtspunten met elkaar zijn verweven. Het dikke, niet bijzonder fraai uitgegeven boek met de kriebelige lettertjes wekte bij mij in eerste instantie wat weerstand op, maar De Jong wist mij wel vanaf de eerste pagina te pakken met zijn scherpe analyses en rake conclusies.
Een van de kernpunten in zijn betoog is, dat de VOC in Azië slaagde, door zich naadloos te voegen in de handelsnetwerken en alliantiesystemen die daar al eeuwen bestonden. De Compagnie kon binnen dit handelssysteem zo’n belangrijke factor worden door goed op de hoogte te blijven van lokale gebruiken en machtsstructuren. Zij wist daarvan bijvoorbeeld gebruik te maken door machthebbers tegen elkaar uit te spelen. Een belangrijke conclusie van De Jong is dat er, zeker in het begin, een handelspolitiek werd bedreven op basis van gelijkwaardigheid van partners. Van neerkijken op andere culturen was volgens hem nauwelijks sprake - hoewel we aan de egodocumenten in het boek van Roeper en Van Gelder een andere indruk overhouden - hooguit van gebrek aan kennis die de kooplui soms duur kwam te staan. Het was dus bittere noodzaak dat de bewindvoerders van de VOC zich in Azië verdiepten in de talen en culturen van de volkeren waarmee ze in contact kwamen. Alleen op die manier kon de Compagnie zich optimaal voegen in de machtsstructuren die daar een eeuwenlange traditie hadden. Men moet niet vergeten dat er in Azië, toen de Europeanen er kwamen, machtiger en welvarender rijken waren dan hun Europese equivalenten.
Die welvaart kwam voor een groot deel voort uit handel. Reeds in de oudheid was daarvoor een wijdvertakt stelsel van handelsroutes in gebruik, dat vooral werd geregeerd door de wisselingen van de moessonwinden. A1 snel was duidelijk dat nieuwkomers, zoals de Nederlanders, volkomen werden geaccepteerd in dit eeuwenoude maritieme netwerk, mits zij handelaren van allerlei etnische origine respecteerden en naast zich duldden.
In de zestiende en zeventiende eeuw was Zuidoost-Azië een pluriforme wereld, die bestond uit vele kleinere en grotere machtsstructuren die telkens wisselden. Door gebruik te maken van de verdeeldheid en door allianties of bondgenootschappen aan te gaan met troonpretendenten, die men militaire steun beloofde in ruil voor handelsmonopolies, kon de VOC haar machtspositie uitbreiden. Daarbij wordt duidelijk dat de Nederlanders de plaatselijke gebruiken niet altijd goed doorgrondden. Men kon er bijvoorbeeld geen begrip voor opbrengen dat de zogenaamde contracten voor eeuwige monopolies net zo vluchtig waren als de heerschappij van de lokale vorst die men had gesteund.
 
De teloorgang van de Compagnie
In de zeventiende eeuw hadden de Nederlanders een voorsprong op andere Europese naties door de inzet van hoogwaardige technologie op het gebied van navigatie, cartografie en scheepsbouw. De Compagnie bleef echter gebukt gaan onder het probleem van de grote afstand tussen Amsterdam en het operatieveld. Schepen naar de Oost waren bijna een jaar onderweg. De retourvaart nam iets minder tijd in beslag, maar men moest er toch wel rekening mee houden dat een bestelling pas na twee jaar kon worden geleverd. Dit maakte het lastig om in te spelen op de grillen van de Europese markt. Het leidde er ook toe dat men in Indië vaak ad hoc beslissingen moest nemen zonder de Heren XVII daarvan in kennis te stellen. Omgekeerd had men er in Amsterdam nauwelijks enige voorstelling van hoe de actuele situatie in Azië was. Wat er precies aan de communicatie schortte, werd omstreeks 1714 kort samengevat door Van Riebeek, die op dat moment gouverneur-generaal te Batavia was: “De Heeren in’t vaderland besluyten de zaaken zoals zy daer goetvinden, maar wy doen het hier zoals wy verstaen en best oordelen”.5
Tussen 1670 en 1740 voltrok zich een radicale verandering in de vraag vanuit Europa. Door nieuwe trends in de leefcultuur van de elite groeide de vraag naar katoenen stoffen, koffie, thee en porselein explosief. De katoenen ‘sitsen’ waren vooral een begerenswaardig artikel, doordat ze kleurecht en bovendien wasbaar waren in tegenstelling tot de geverfde stoffen die in Europa werden vervaardigd. De VOC heeft in de achttiende eeuw wel pogingen gedaan om ook in deze markten een belangrijke speler te worden, maar de organisatie werd daarin telkens voorbij gestreefd door andere naties, in het bijzonder door Engeland. We zien dat de Heren XVII in Amsterdam stug bleven vasthouden aan de succesformules uit de zeventiende eeuw, terwijl de wereld om hen heen volledig was veranderd. Het handhaven van monopolies in de specerijenhandel stond bij de Bewindvoerders voorop. Men bleef sterk verouderde scheepstypen bouwen, die niet meer konden concurreren met de snelle vrachtvaarders uit de Engelse vloot. Bovendien volhardde men in het handhaven van Batavia als stapelhaven van alle producten in plaats van ze rechtstreeks terug te sturen naar Europa. Daardoor arriveerden de Hollandse schepen altijd weken later in patria dan hun Engelse concurrenten, aldus De Jong.
Door gebrek aan communicatie en inzicht in de complexiteit van haar eigen organisatie - men had bijvoorbeeld geen overzicht over de boekhoudingen in Indië en de Republiek, waardoor het onduidelijk was dat er in de tweede helft van de achttiende eeuw met verlies werd gewerkt - ging de Compagnie uiteindelijk ten onder. Het vastklampen aan het oude model verhinderde dat men op nieuwe uitdagingen insprong. Van een moderne onderneming die werd beheerst door energieke personeelsleden die risico’s durfden te nemen, was de Compagnie een oncontroleerbaar en zelfgenoegzaam bedrijf geworden dat afhankelijk was van financiële injecties van de staat. In 1799 werd de VOC officieel failliet verklaard, en daarmee ben ik aangekomen bij het slot van deze kroniek. De Jong vervolgt hier zijn boeiende relaas over Nederland en Indonesië en hoe deze naties elkaar met begrip, maar vaker met onbegrip, hebben bekeken. Of we het willen of niet, Indië is een deel van ons verleden en Nederland van het Indonesische. Misschien is het goed om juist nu even stil te staan bij de vele elementen in ons dagelijks leven - de thee bij het ontbijt in een porseleinen kopje, de koffie op ieder uur van de dag, de kruidnagel bij het rundvlees, de kaneel op de appelmoes en de nootmuskaat op de bloemkool - die ondenkbaar zouden zijn zonder die grote handelsonderneming die ze in Nederland tot gemeengoed heeft gemaakt.
 
 
 
Noten
1 Een overzicht van alle activiteiten die in 2002 in Nederland in het kader van 400 jaar VOC worden georganiseerd, is te vinden op de website www.voc2002.nl
2 Deze encyclopedie in acht delen werd geschreven door dominee François Valentijn die zelf vele jaren in de Oost had doorgebracht. De facsimile omvat 5144 pagina’s en zal € 13,95 gaan kosten.
3 Het Algemeen Rijksarchief en het Rijksmuseum zijn enkele van de instellingen die materiaal ter beschikking hebben gesteld aan de Atlas Mutual Hertitage: www.atlasmutualheritage.nl. Deze website bevat een groot aantal oude afbeeldingen en documenten. Deze organisaties proberen op deze manier een bijdrage te leveren aan de ontsluiting van archiefmateriaal door het ‘world wide’ op het net beschikbaar te stellen.
4 Diezelfde tekening is op pagina 80 van het boek van Gaastra afgedrukt met het onjuiste bijschrift ‘tekening van een matroos’ uit het reisjournaal van de Gelderland.
5 F.W. Stapel. De gouverneurs-generaal van Nederlandsch-Indië in woord en beeld. Den Haag, 1942, pp. 41.