Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

Neerlandica extra muros online

Kroniek van de taalkunde; jaargang XXXIX, 1 (2001)

Een rijke oogst

J.M. van der Horst (Leuven)

[Versie om af te drukken]

Gaat het wel goed met de Nederlandse taal? In Nederland zowel als België hoor je de laatste tijd veel bezorgde geluiden. In kranten en tijdschriften, voor de radio en op de televisie zijn geregeld mensen aan het woord die vrij zeker menen te weten dat het niet goed gaat. De Vlamingen zijn niet langer bereid zich te richten naar de Hollandse uitspraaknorm, de Nederlanders staan allerlei regionale varianten toe, het onderwijs heeft de ABN-norm losgelaten, men praat zoals men wil, een beroerde uitspraak is niet langer een beletsel voor een belangrijke maatschappelijke positie, het Poldernederlands rukt op, om nog maar te zwijgen van het Verkavelingsvlaams. Enzovoort enzovoort.
Zoveel is zeker, dat de een de ander napraat, dat de mensen elkaar gek maken en dat er zo een algemene sfeer van onzekerheid ontstaat. En dat er iets verandert, is ook wel waarschijnlijk. Maar wat er nu precies verandert, en of de uitspraak inderdaad slechter wordt of minder gelijk, daarover is vrijwel niets met zekerheid bekend. Het algemeen gemopper heeft verrassend weinig basis.
Overeenstemming over de norm voor een beschaafde uitspraak is er minder lang dan de meeste mensen denken. In feite dateert die overeenstemming pas van het einde van de 19de eeuw. In Nederland, want in België duurt het nog tot circa 1920 vooraleer men het erover eens is wat een goede uitspraak is. Dat betekent dat de standaard-uitspraak van het Nederlands amper 100 jaar oud is. Die norm heeft vervolgens kleine verschuivingen ondergaan, zoals we weten door het onderzoek van onder anderen Hans Van de Velde. En het is mogelijk dat ook de door Jan Stroop als “Poldernederlands” betitelde uitspraak zo’n verandering van de norm behelst. Maar dat is nog allerminst zeker. Wel ziet het ernaar uit dat de norm de laatste decennia iets ruimer is geworden. Dat betekent, dat niet altijd één en precies één uitspraak acceptabel is; in sommige gevallen aanvaarden we nu ook andere uitspraakvarianten. Maar het zou erg eenzijdig zijn enkel dat te noemen, en dan te jammeren over het verval van de heerlijk strakke vroegere norm. De keerzijde van de medaille is namelijk dat honderd jaar geleden de norm weliswaar iets strakker was, maar dat het aantal mensen dat eraan voldeed, erg klein was. Schattingen lopen uiteen van drie tot vijf procent van de bevolking. Rond het midden van de eeuw sprak in Nederland misschien 50% van de bevolking ABN, en in België minder. Op het einde van de 20ste eeuw is het aantal mensen dat ABN kan spreken, of toch iets dat daar dicht bij in de buurt komt, in Nederland naar schatting 80%, in België iets minder maar toch boven de 50%. Met andere woorden: de norm moge dan een beetje ruimer geworden zijn, het aantal mensen dat aan deze norm voldoet is zeer sterk gestegen. De facto is de homogeniteit van uitspraak binnen de Nederlandse taal dus sterk toegenomen. De mooie strakke norm van vroeger is alleen maar mooi als je enkel kijkt naar de minderheid die hem destijds gebruikte, en de rest van de bevolking buiten beschouwing laat. Kijkt men naar de hele taalgemeenschap, dan zijn we in de loop van de 20ste eeuw alleen maar dichter bij elkaar gekomen.
Dit stukje taalgeschiedenis verklaart hoe het komt dat onze woordenboeken pas betrekkelijk laat, tweede helft 20ste eeuw, zijn begonnen aanwijzingen te geven voor de uitspraak. Eerst de klemtoon van de woorden, en pas de laatste decennia ook iets over de klanken. Het verklaart ook waarom naslagwerken over de uitspraak bijna zonder uitzondering pas de tweede helft van de eeuw verschijnen, zoals Blancquaerts Praktische Uitspraakleer, De Conincks Groot Uitspraakwoordenboek en Paardekoopers ABN Uitspraakgids. Aan het begin van de eeuw was de groep ABN-sprekers zo klein, dat de norm er bekend genoeg was. Het is pas in de loop van de eeuw, als de groep ABN-gebruikers meer en meer groeit, dat er behoefte ontstaat aan aanwijzingen. Het nieuwe Uitspraakwoordenboek van José Heemskerk en Wim Zonneveld (uitg. Het Spectrum, Utrecht 2000; ISBN 902744482x) zou stellig niet verschenen zijn als de samenleving geen interesse had voor de uitspraak. Ik denk dat de vraag naar de norm groter is dan ooit.
Het Uitspraakwoordenboek is uitgebreider dan alles wat er op dit vlak bestond, en het zou wel eens kunnen uitgroeien tot het standaardwerk over onze uitspraak. Het is dat, naar mijn mening, nog niet helemaal. In verschillende recensies is al gewezen op nogal wat kleine inconsistenties, maar die zouden in een tweede druk gemakkelijk te verbeteren zijn. Zelf betreur ik dat in gevallen waarin meer dan één uitspraak als gangbaar en correct wordt gezien, het woordenboek er toch vaak slechts één geeft. Zo bestaan er van het woord “cello” mijns inziens drie goede uitspraken: sello, sjello en tsjello. Heemskerk en Zonneveld geven enkel sjello (de grote Van Dale enkel tsjello). Los van mijn persoonlijke voorkeur voor de ene of de andere uitspraak, zou ik graag zien dat ons standaardwerk over de uitspraak in gevallen waarin het niet wenst te veroordelen, dan ook descriptief adequaat de verschillende geaccepteerde uitspraken vermeldt. Per slot van rekening verwachten we van Van Dale ook dat hij bij betekenissen niet een selectie maakt maar volledig is. Dat zou bij de uitspraak ook zo moeten zijn. Anders kunnen de niet-genoemde uitspraakvarianten licht opgevat worden als afkeurenswaardig. Weliswaar staat in de inleiding dat dat een verkeerde conclusie zou zijn, maar die dringt zich toch op: bij alle andere woorden redeneert men immers ook zo dat enkel de vermelde uitspraak correct is, en andere uitspraken bij implicatie verkeerd. Maar ik beschouw dit als kinderziektes. Bovenal ben ik blij dat dit uitspraakwoordenboek er is, en ik hoop dat het de kans krijgt in een tweede en derde druk verder te groeien tot wat het beoogt, en tot wat we nodig hebben, binnen zowel als buiten het taalgebied.
Een ander kloek boek dat onlangs verscheen is het Van Dale Idioomwoordenboek (uitgegeven door Van Dale Lexicografie Utrecht/Antwerpen en The Reader’s Digest, ISBN 9066483059; ƒ135; Bef. 2.450). In de begeleidende folder heet het een “kijk-, blader- en leesboek voor iedere taal-liefhebber”, en dat is het. Je kan er in kijken, in bladeren en in lezen. Het staat inderdaad vol aardige wetenswaardigheden. Het Nederlands is rijk aan allerhande uitdrukkingen, zegswijzen en gezegden, en een woordenboek dat daaraan gewijd is, is natuurlijk welkom. Maar eigenlijk staan de meeste uitdrukkingen enz. ook al in de dikke Van Dale (soms zelfs meer). En voor etymologische en andere verklaringen heb je heel wat meer aan een klassieker als F.A. Stoetts Nederlandsche spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden of de later eens bijgewerkte maar beknoptere versie daarvan door C.H. Kruyskamp. Ik zie eigenlijk niet goed wat de meerwaarde is van dit nieuwe Van Dale Idioomwoordenboek boven wat er al was. ‘t Is eerder een stap achteruit.
Ondertussen ware het te wensen dat het werk van Stoett en van Kruyskamp, hoe verdienstelijk het destijds ook was, eens opnieuw gedaan werd, grondig herzien en flink uitgebreid. En dan denk ik niet eens aan het herzien van tymologieën en woordgeschiedenissen die inmiddels onjuist gebleken zijn of aanvulling verdienen (dat valt nogal mee, dunkt me), maar wel aan een inventarisatie en beschrijving van de zeer talrijke idiomen en gezegden die met name de reclame de laatste decennia heeft opgeleverd. Die vind je in geen enkel handboek, ook niet in dit nieuwe Idioomwoordenboek. Idiomen van het type “Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpozen...”, “Vlug, veilig en voordelig”, “vakmanschap is meesterschap”, “blij dat ik rij”, “witter dan het witste konijn” en “u weet wel waarom”, zijn er bij vele honderden, en ze zijn een integrerend onderdeel geworden van de taal van iedereen. Maar lexicografisch zijn ze nog steeds vogelvrij, afgezien van een eerste en verdienstelijke poging door Marc De Coster, met zijn Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans (1998).
Het is precies om deze reden, het lexicografisch “bijhouden” van recente ontwikkelingen in de taal, dat het prettig is om te kunnen melden dat Ewoud Sanders begonnen is met De taal van het jaar; nieuwe woorden en uitdrukkingen; editie 2000 (uitg. Contact, Amsterdam/Antwerpen 2000; ISBN 9025497071; ƒ24,90). Het is de bedoeling dat er jaarlijks zo’n boekje uitkomt, waarin de meest opvallende nieuwe woorden gesignaleerd worden. Vorig jaar schreef ik in deze kroniek al dat als de tijdgenoot een en ander niet registreert, het later wel erg moeilijk wordt om de opkomst van nieuwe woorden nog na te gaan. ‘t Is jammer dat samenstellers van zulke boeken en boekjes veelal de neiging hebben om ook rare woorden en eendagsvliegen op te nemen, en ook Sanders ontkomt daar niet aan (bijvoorbeeld met shockvertising, grotelulinterview en droeftemagnetisme), want dat vermindert de waarde van het werk. Maar dat zulke boekjes, zeker over enige tijd, waarde hebben, dat lijkt me onmiskenbaar. Natuurlijk zien we de netto-oogst in de volgende editie van de grote woordenboeken ook wel opduiken, maar de reeks drukken van een woordenboek geeft meestal een te weinig fijnmazig beeld van de introductie van woorden.
Waar Ewoud Sanders zoekt naar compleet nieuwe woorden, daar biedt Riemer Reinsma met zijn Neologismen (uitg. Sdu, Den Haag 1999; ISBN 9075566816; ƒ24,90) vooral observaties van betekenisveranderingen. Het boekje maakt deel uit van een reeks van Uitgeverij Sdu, waaruit we ook nog vermelden: Marc van Oostendorp, Computers en taal; Riemer Reinsma, Gezegden; Hans Heestermans, Vergeten woorden, en Marlies Philippa, Etymologie. Buiten de reeks, maar ook bij de Sdu verschenen, is Nota Bene; de invloed van het Latijn en Grieks op het Nederlands door Nicoline van der Sijs en Jaap Engelsman (ISBN 9057970678; ƒ25).
Speciale vermelding verdient het volgende werk. Niet omdat het onlangs is verschenen, maar juist omdat het niet verschenen is. Ik bedoel het Vroegmiddelnederlands Woordenboek (VMNW). In het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden (INL) is onder leiding van W.J.J. Pijnenburg ruim tien jaar gewerkt aan de samenstelling ervan. Het is een groot woordenboek geworden, circa tien of twaalf delen, van het 13de-eeuwse Nederlands, gebaseerd op al het materiaal uit het Corpus Gysseling. Anders dan het veel oudere Middelnederlandsch Woordenboek (MNW) van Verwijs en Verdam (sinds vorig jaar ook op cd-rom beschikbaar), dat nogal eens op onbetrouwbare bronnen gebaseerd is, en eigenlijk vooral 14de- en 15de-eeuws Nederlands beschrijft, betreft het nu voltooide VMNW strikt de 13de eeuw, en voldoet het aan alle eisen die men vandaag de dag aan een dergelijk werk mag stellen. Een degelijk woordenboek van het Nederlands van de eerste eeuw die goed gedocumenteerd is, is voor de taalwetenschap een belangrijke mijlpaal. Tijdens een kleine plechtigheid op 23 juni 2000 te Brugge werd het gereedkomen gevierd. Maar onthutsend was het om daar te moeten vernemen dat dit zo belangrijke werk voorlopig niet gepubliceerd kan worden wegens geldgebrek. Als ik het goed begrepen heb, zou het gepubliceerd kunnen worden indien er zo’n driehonderd kopers gevonden worden die het zich voor 600 of 700 gulden willen aanschaffen. Dat is voor straks 10 kloeke delen geen geld. Maar omdat men niet verwacht dat er zich driehonderd kopers zullen aandienen, wordt er voorlopig niet gepubliceerd. Onthutsend is het, en ook wel wat beschamend. Het valt te hopen dat men enkele instanties bereid vindt om bij te springen, ook al moet de prijs niet nog verder omlaag, want gierigheid dient niet beloond. Ondertussen zitten we met de situatie dat er van dit enorme werk precies één exemplaar op de wereld bestaat, in het INL te Leiden. Dat overigens, naar mijn ervaring, heel royaal is met het verstrekken van inlichtingen aan ieder die serieus onderzoek doet. Maar dit kan zo niet blijven. Wie wat meer wil weten over de totstandkoming van het VMNW, de problemen waarmee de redacteuren geworsteld hebben, en de oplossingen die zij daarvoor hebben gekozen, kan terecht bij het vorig jaar in deze kroniek al genoemde boekje Een samenleving verwoord, van T.H. Schoonheim en Th.P.F. Wortel (uitg. Sdu/Standaard, Den Haag/Antwerpen, ISBN 9075566999; ƒ19,90).
Goed nieuws is dan weer dat de bundel van The Berkeley Conference on Dutch Linguistics 1997 (ed. Thomas Shannon & Johan P. Snapper; uitg. University Press of America, 4720 Boston Way/Lanham, MD 20706; ISBN 0761816747; $52.50) is uitgekomen. De conferenties van Berkeley zijn bekend genoeg in de wereld van de neerlandistiek, en ook dit deel maakt de verwachtingen weer ten volle waar. De bijdragen zijn stuk voor stuk van hoog niveau, en betreffen onder andere de fonetiek, de pragmatiek, de moderne syntaxis, de historische taalkunde en de lexicografie: Sieb Nooteboom & Krista Vermeulen, Henk Verkuyl, Robert Kirsner, Jan Renkema, Willy Van Langendonck, Reinier Salverda, Wim Klooster, Roel Vismans, Thomas Shannon, Arie Verhagen, Stanislaw Predota, Jan Goossens, Klaus-Peter Lange, Jennifer Boyce Hendriks en Robert Howell, en Nelleke Van Deusen-Scholl.
Tot slot nog twee kleinere publicaties die het toch ruimschoots verdienen om genoemd te worden. In de eerste plaats A.M. Hagen, O schone moedertaal; lofzangen op het Nederlands 1500-2000 (uitg. Contact, Amsterdam 1999; ISBN 9025496776; ƒ29,90). Het is een bloemlezing van gedichten op het Nederlands; in feite zijn het de voorbeelden bij de afscheidsrede die Hagen op 17 december 1999 hield bij zijn aftreden als hoogleraar dialectkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen: De lof der Nederlandse taal. Hagen geeft bij alle gedichten informatie over de auteur en over de culturele achtergrond waartegen men de gedichten moet lezen. Niet alleen voor liefhebbers van gedichten is deze bundel de moeite waard: ook de taalgeschiedenis wordt vanuit een ongebruikelijke, en daardoor interessante invalshoek belicht.
Op de valreep, omdat ik het zojuist pas ontvangen heb, noem ik nog graag Jo Daans boeiende Geschiedenis van de dialectgeografie in het Nederlandse taalgebied; rondom Kloeke en het Dialectenbureau (uitg. Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Amsterdam 2000; ISBN 9069842890; circa ƒ 25,-; te bestellen via +32-20-551 07 80). Het is een soms persoonlijke kijk op de geschiedenis, maar er is op dit moment wel niemand als Daan die in een lang leven zo’n groot stuk van de geschiedenis van dichtbij heeft meegemaakt, ja, zelf een belangrijke rol heeft gespeeld in dat stuk geschiedenis. Het is verheugend dat zij de moeite heeft genomen dat op te schrijven, want het betreft deels onvervangbare informatie.
Op het moment dat ik deze kroniek schrijf, is hij er nog niet, maar de uitgever verzekert me dat het een kwestie is van weken: de cd-rom met de Dikke Van Dale. Over de kwaliteit ervan kan ik dus nog niets zeggen, laat staan over de toepassingen die mogelijk zullen blijken. Tijdens het Veertiende Colloquium Neerlandicum te Leuven is de elektronische Grote Van Dale echter al gedemonstreerd. Veel lezers van NEM hebben zich daar dus een beeld kunnen vormen van dit fenomeen. Maar nu al is wel zeker dat het een welkome en belangrijke uitbreiding zal zijn van ons neerlandistisch “apparaat”.
Natuurlijk is er het afgelopen jaar meer verschenen dan er in deze kroniek genoemd kon worden. Veel meer zelfs, want de belangstelling voor de Nederlandse taal is groot, en er verschijnt veel. Het voorgaande is een keuze uit de grote stroom. Een persoonlijke keuze, waarbij ik enerzijds het al te specialistische heb weggelaten (wat nogal veel is), en anderzijds al hetgene dat naar mijn mening te weinig niveau heeft. Dat zijn zo ongeveer mijn criteria. Als ik me hier of daar vergist heb, of iets vergeten, zal uw dienaar dat graag vernemen, en het volgend jaar bij leven en welzijn rechtzetten.