Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

Neerlandica extra muros online

Kroniek van de taalkunde; jaargang XXXIV, 1 (1996)

Tijdschriften, spelling en naslagwerken

J.M. van der Horst (Leuven)

[Versie om af te drukken]

Toen ik tweedejaars student was, nam ik een abonnement op De Nieuwe Taalgids. Niets bijzonders. Bijna iedereen om mij heen was ook geabonneerd; het hoorde erbij. Later nam ik ook Spektator, Forum der Letteren en TNTL. In die tijd had iedere neerlandicus, onderzoeker of leraar aan een middelbare school, minstens De Nieuwe Taalgids, en vaak nog een of twee andere vaktijdschriften. Niet dat alles even interessant was, of zelfs maar begrijpelijk, maar het gaf je althans het gevoel van erbij te horen, van op de hoogte te zijn van wat er omging in het vak. Niet in de laatste plaats door de recensies, de aankondigingen en mededelingen, en de rubriek “Uit de tijdschriften”. Dat is al lang niet meer zo.
Er is veel veranderd in de laatste 25 jaar. In de eerste plaats is het aantal vaktijdschriften danig toegenomen. Alleen al op het gebied van de Nederlandse taal- en letterkunde gingen bijvoorbeeld verschijnen: Spektator, Dokumentaal, Gramma, Gramma/TTT, Literatuur, De Negentiende Eeuw, Taalkundig Bulletin, Tabu, Tijdschrift voor Taalbeheersing. Ook al deed De Nieuwe Taalgids zijn best met de rubriek “Uit de tijdschriften”, wie op de hoogte wilde zijn, moest meer tijdschriften hebben. Om nog maar te zwijgen van de toenemende gerichtheid op buitenlandse en internationale tijdschriften. Het werd onbetaalbaar. De leraar Nederlands haakte af, en de student en de onderzoeker gingen naar de bibliotheek. En als je toch twintig of dertig tijdschriften in de bibliotheek raadpleegt, vervalt de noodzaak om zelf nog één of twee abonnementen te hebben.
De leraar Nederlands haakte trouwens ook af omdat hij zich steeds meer in allerlei didaktische en organisatorische zaken moest verdiepen. Er bleef hem weinig tijd over om zijn vak bij te houden. De enkeling die het toch probeerde, werd ontmoedigd door al maar langere, al maar specialistischer en al maar slechter geschreven artikelen. Een vaktijdschrift lees je niet meer voor je plezier. De leraar-met-brede-belangstelling bestaat nog steeds, maar hij leest, terecht, liever de wetenschapsbijlage van een krant.
De komst van het fotokopieerapparaat is ook fataal geweest voor de oplage van vaktijdschriften. Het is beslist economischer om uit veel tijdschriften hier en daar kopieën te maken, dan zich op enkele te abonneren. Bovendien hebben althans studenten minder geld te verteren dan 25 jaar geleden.
Daar komt nog bij dat de meeste neerlandici veeleer taalkundige of literatuuronderzoeker zijn dan neerlandicus. De traditionele formule van de meeste tijdschriften om artikelen over zowel taal- als letterkunde op te nemen, bevredigt nauwelijks meer. Althans voor zover het rijkelijk specialistische artikelen betreft. De meeste lezers kijken dus maximaal naar de helft van alle artikelen.
Het aanbod van kopij loopt trouwens ook terug. Dat komt enerzijds door de veelheid aan tijdschriften, anderzijds doordat velen liever in een Engelstalig tijdschrift publiceren.
Al met al kampen de neerlandistische tijdschriften met een gevaarlijk dalend aantal abonnees en een gebrek aan kopij. Drie tijdschriften, t.w. De Nieuwe Taalgids, Spektator en Forum der Letteren, hebben daarom nu besloten tot de volgende verandering: met ingang van 1996 houdt dit drietal op te bestaan, en in plaats daarvan zullen drie andere, nieuwe tijdschriften gaan verschijnen: “Nederlandse Taalkunde”, “Nederlandse Letterkunde” en “Tijdschrift voor Literatuurwetenschap”. De redactie-adressen zullen zijn, van “Nederlandse Taalkunde”: dr. A. Foolen, Vakgroep ATD-KUN, Erasmusplein 1, 6562 HT Nijmegen; van “Nederlandse Letterkunde”: dr. M. Meijer Drees, Vakgroep Nederlands RUU, Trans 10, 3512 JK Utrecht; en van het “Tijdschrift voor Literatuurwetenschap”: drs. W. Poelstra, p/a Amsterdam University Press, Prinsengracht 747-751, 1017 JK Amsterdam.
Laten we hopen dat dit de oplossing is. Maar ik zie het somber in. De herverkaveling komt namelijk alleen tegemoet aan het feit dat de meeste neerlandici ofwel taalkundig ofwel literair geïnteresseerd zijn. Zolang de meeste artikelen zo lang en zo onleesbaar blijven, zal het verwachte grotere publiek zich niet abonneren. Het fotokopieerapparaat, de wetenschapsbijlage van de krant, Engelstalige publikatiemogelijkheden en geldgebrek worden niet uitgeschakeld. En het aantal tijdschriften blijft vooreerst gelijk. Wie eerst drie abonnementen had, neemt er straks nog maar één, zodat het totale aantal abonnementen voorspelbaar verder zal dalen. Ook de publikatiemogelijkheden voor Nederlandstalige artikelen nemen af. En het valt niet in te zien waarom deze operatie tot een grotere stroom goede kopij zou leiden.
Naar mijn mening is niet het onderscheid tussen taal- en letterkunde zo belangrijk, maar veeleer het onderscheid tussen leesbaar en niet leesbaar, of zo men wil tussen kort en breed toegankelijk tegenover lang en specialistisch. De meeste neerlandici die geen onderzoeker zijn geworden, hebben beslist meer belangstelling voor hun vak dan onderzoekers schijnen te denken. Maar het wordt hun nagenoeg onmogelijk gemaakt die belangstelling te voeden. Hetzelfde geldt trouwens voor de onderzoekers: de taalkundigen en de literatuuronderzoekers zijn veelal niet zulke kamergeleerden geworden dan dat ze geen interesse meer hebben buiten hun eigen gebiedje. Maar dan hebben ze behoefte aan een ander soort artikelen dan wat je meestal aantreft in de genoemde tijdschriften. De drie redacties zouden volgens mij daarom beter gedaan hebben één breder georiënteerd tijdschrift voor de geesteswetenschappen te vormen. De nu voorgenomen verkaveling pakt het probleem niet grondig genoeg aan. Er is niet zozeer behoefte aan andere grenslijnen tussen de tijdschriften, als wel aan een ander soort tijdschrift. Misschien is de nieuwe verdeling van 1996 de opmaat voor een grondiger verandering in 1999.

Er staat meer op stapel. Om te beginnen wordt er gewerkt aan een spellingverandering. De beoogde verandering zal weliswaar niet ingrijpend zijn, en de gewone lezer zal er niet eens zo veel van merken, maar degenen die beroepshalve schrijven of die lesgeven, krijgen er zeer zeker mee te maken. De verandering betreft in de eerste plaats een keuze tussen de zogenaamde voorkeurspelling en de toegelaten spelling. Die dubbele mogelijkheid bij veel woorden gaat verdwijnen. In Nederland was dat in feite al sedert 1956 het geval, maar de maatregel die de voorkeurspelling tot enige spelling verhief, was weinig bekend. Het valt overigens te verwachten dat er daardoor in België (met z’n voorkeur voor niet-voorkeurspellingen) meer verandert dan in Nederland. Het is overigens niet zo, dat nu automatisch de voorkeurspellingen uit het Groene Boekje tot enige spelling verheven worden. In een aantal gevallen zal de (toen) toegelaten spelling voorgeschreven gaan worden. In verband daarmee zal binnenkort een nieuwe editie verschijnen van de Woordenlijst van de Nederlandse Taal oftewel het Groene Boekje. En aangezien er sedert 1954 niets aan veranderd was, neemt men de gelegenheid te baat de woordenlijst uit te breiden met enige tienduizenden woorden die sindsdien ingang hebben gevonden. Verder betreft de spellingverandering tussenklanken in samenstellingen en het gebruik van trema en verbindingsstreepje. Al met al zal er in feite niet veel veranderen. De problematiek van de bastaardwoorden (bijvoorbeeld c of k, en vooral daar bestond die dubbele mogelijkheid), en de problemen rondom de tussenklanken (bijvoorbeeld besse(n)sap) zijn onoplosbaar; elke nieuwe regeling zal zijn eigen uitzonderingen en rariteiten meebrengen. Waarschijnlijk is de belangrijkste stap vooruit dan ook dat het Groene Boekje wordt aangevuld met de vele nieuwe woorden van de laatste decennia. Verdere inlichtingen kan men verkrijgen bij de Nederlandse Taalunie, Stadhoudersplantsoen 2, NL-2517 JL Den Haag; tel. (070)3469548.
Verder wordt er hard gewerkt aan een tweede druk van de Algemene Nederlandse Spraakkunst, de ANS. De eerste druk verscheen in 1984. De reacties liepen destijds sterk uiteen, van zeer lovend tot uiterst kritisch. De kritiek betrof onder andere de omvang en de strengheid. Volgens sommigen was de ANS veel te dik, maar anderen misten juist van alles. Er is gezegd dat de ANS te normatief is, maar er is ook gezegd dat de ANS te tolerant zou zijn. Waarlijk geen gemakkelijke situatie voor de redactie van de tweede druk. Globaal zal die tweede druk (mijns inziens: terecht) dezelfde opzet hebben en iets dikker worden. Er is rekening gehouden met veel specialistische kritiek en op vele punten wordt de beschrijving iets uitgebreid. Concepten van alle hoofdstukken zijn voorgelegd aan een ruime kring van taalkundigen. De toegankelijkheid hoopt men ook enigszins te vergroten met een beter register. Maar de aard van een boek als de ANS brengt nu eenmaal mee dat raadpleging een zeker minimum aan taalkundige kennis vergt. Het is de bedoeling dat de tweede druk in 1996 zal verschijnen.
De plannen om naast de ANS ook een “generatieve ANS” samen te stellen, blijven voorlopig nog plannen. Onder generatieve taalkundigen bestaat veel onvrede met de ANS, en men zag graag een geheel op generatieve leest geschoeide “complete” beschrijving van het Nederlands. Voor wie dit nuttig zou zijn, is mij niet duidelijk. In ieder geval blijkt de onderneming vooralsnog niet uitvoerbaar en/of financieel onhaalbaar.
Meer mogen we verwachten van het nieuwe uitspraakwoordenboek dat in voorbereiding is. Onder leiding van prof. W. Zonneveld uit Utrecht is een aantal redacteuren aan het werk voor een opvolger van De Conincks Groot uitspraakwoordenboek en Paardekoopers ABN Uitspraakgids.

De neerlandistiek buiten Nederland en België krijgt over het algemeen weinig steun van Nederlandse en Belgische vakgenoten. Dat komt niet altijd door onwil of gebrek aan belangstelling; het is soms ook een kwestie van (te) krappe publikatiemogelijkheden. Er zijn op dit moment verschillende goede cursussen en methoden op de markt, gericht op diverse grote taalgebieden. Wie echter het beginnersstadium voorbij is maar nog lang niet vlot Nederlands leest (en dat zijn er zeer velen in de wereld), komt in een leegte terecht. Wie meer wil weten over de Nederlandse taal, literatuur, geschiedenis enz., heeft het moeilijk. In feite zou men eerst een veel grotere beheersing van het Nederlands moeten hebben om de bijna uitsluitend Nederlandstalige werken te kunnen lezen. En die ontbreken trouwens in de meeste bibliotheken, om begrijpelijke redenen. De ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst, is een prachtig boek, zeker ook voor neerlandici extra muros. Maar ze kan alleen gebruikt worden door gespecialiseerde docenten of zeer ver gevorderde studenten. Een in het Engels (Frans, Duits, Spaans enz.) gestelde grammatica van het Nederlands, van redelijke omvang, is niet beschikbaar. Het gat tussen de beginnersgrammatica enerzijds en de ANS anderzijds is groot. Een tijd lang hadden we B.C. Donaldsons Dutch Reference Grammar, verschenen in 1981, maar die is al lang niet meer te koop. De uitgever, Martinus Nijhoff, is niet van plan het boek te herdrukken. Mij dunkt dat de Nederlandse Taalunie en/of de IVN, al of niet in samenwerking met Nijhoff, eens zou moeten overwegen of zij dit boek, of althans een dergelijk boek, kan doen (her)uitgeven.
Hetzelfde geldt trouwens ook voor een ander boek van Donaldson: zijn Dutch; a linguistic history of Holland and Belgium, verschenen in 1983 en eveneens al jaren niet meer te koop. Informatie over het Nederlands die wat verder gaat dan beginnersstof, is in het Engels, Frans, Duits, Spaans enz. bijzonder schaars. Dat lijkt me een ernstige handicap voor de neerlandistiek extra muros. Voor de geschiedenis van het Nederlands hebben we gelukkig het Duitse boek van Vekeman en Ecke, en voor het Middelnederlands het Engelse boek van Colette van Kerckvoorde (zie NEM 32 (1994), 38-39). Laten we daar zuinig op zijn.
Het is prettig dat er nu twee belangrijke Engelse teksten over het Nederlands bij gekomen zijn. Ze maken deel uit van een groter werk: The Germanic Languages, ed. Ekkehard König & Johan van der Auwera, uitgegeven door Routledge, Londen/New York, 1994. Ik bedoel dan in het bijzonder de uitstekende hoofdstukken van Marijke van der Wal en Aad Quak, ‘Old and Middle Continental West Germanic’ (blz. 72-109) en Georges De Schutter, ‘Dutch’ (blz. 439-477). Eenvoudige kost is het niet, zeker niet het stuk van De Schutter. Het is geschreven voor taalkundigen en voor studenten met een flinke taalkundige bagage. Dat was dan ook de opzet van het hele boek. Er zijn in de wereld genoeg taalkundigen met belangstelling voor het Nederlands (en andere Germaanse talen) die nu eenmaal het Nederlands niet of nauwelijks machtig zijn. Het is voor zulke geïnteresseerden zacht gezegd niet makkelijk om iets over het Nederlands aan de weet te komen. Voor hen zijn de gedegen en uitvoerige hoofdstukken van Van der Wal & Quak, en van De Schutter een belangrijke aanwinst. Hòè moeilijk de situatie is, moge blijken uit beider literatuurlijst, waarin onthutsend weinig te noemen valt in een andere taal dan het Nederlands!
Ook de rest van het boek, waarin het Nederlands de plaats krijgt die het verdient binnen de Germaanse familie, mag trouwens interessant genoemd worden. Het opent met een algemeen stuk over Germaanse talen van Carol Henriksen en Johan van der Auwera, en een hoofdstuk over het Gotisch en reconstructie van het Proto-Germaans door W.Ph. Lehmann. Vervolgens worden in afzonderlijke hoofdstukken, door steeds andere specialisten, behandeld het Oudnoors, Oud en Middel Continentaal Westgermaans, Oud en Middel Engels, IJslands, Faroese, Noors, Zweeds, Deens, Duits, Jiddisch, Pennsylvania Duits, Nederlands, Afrikaans, Fries, Engels en Germaanse creolentalen. Aanbevolen voor zowel binnen als buiten de muren.