Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

De Leeswijzer

Boekverslag Drie slechte schaatsers

door Tim Krabbé

Dit verhaal speelt zich voor het grootste gedeelte op het ijs af: het gaat over een man van middelbare leeftijd voor wie schaatsen een grote passie is. Naast het schaatsen, staan in dit verhaal ontmoetingen van de man, zijn zoontje en zijn ex-vrouw centraal of herinneringen van de man aan de periode dat hij en zijn vrouw nog bij elkaar waren.

Criterium
      + Deelaspect
makkelijker moeilijker
lay-out/visuele steun
hoofdstukken/ titels/ witregelsaanwezig afwezig
illustraties aanwezig afwezig
interpunctie aanwezig afwezig
lengte
van de tekst korter langer
van tekstdelen korter langer
van zinnen korter langer
taalgebruik
woordenschat frequent/bekend niet-frequent/ onbekend
taalvariatie standaardtaal register/ stijlvariatie
formulering weinig idioom, letterlijk/concreet veel idioom, figuurlijk/abstract
grammatica ongemarkeerd, eenvoudig gemarkeerd, complex
textcomplexiteit
verhaallijnen één twee of meer
betekenislagen één twee of meer
scheiding fantasie/werkelijkheidduidelijk of niet van toepassingonduidelijk
thematiek/onderwerp
aansluiting bij leefwereld/leeservaring van de lezeraansluitendminder/niet aansluitend
niveau van abstractie bij de presentatielaag hoog
vertelperspectief auctoriaal, neutraal, personaal, ik-/jijperspectiefwisselend, monologue interieur
personages
aantal weinig veel
uitwerking karakters stereotype, weinig diepgangcomplexe karakters, meer diepgang
verandering onderlinge verhoudingenweinig, niet ingrijpendveel, ingrijpend
identificatiemogelijkheden veel weinig
plaats
geografisch bekend onbekend
sociaal/ cultureel bekend onbekend
tijd
tijdverloop chronologisch, zonder tijdsprongenniet-chronologisch, met tijdsprongen/flashbacks
open plekken/open einde afwezig aanwezig
historische plaatsing bekend of niet van toepassingonbekend
nadruk bij spanningsopbouw gebeurtenissen gedachten/beschrijvingen
Aantal kolommen23 5
Percentage82% 18%

Lay-out/Visuele steun
Het verhaal heeft een titel, maar geen aparte hoofdstukindeling. Soms worden passages gescheiden door witregels. Het verhaal bevat geen illustraties en de interpunctie is normaal.

Lengte
De meeste zinnen hebben een normale lengte. In de langere zinnen is de interpunctie steeds zeer behulpzaam. Bijna alle langere zinnen bestaan uit een nevenschikking van hoofdzinnen die door komma’s worden gescheiden.

Taalgebruik
Het taalgebruik is over het algemeen vrij eenvoudig. Behalve een aantal samenstellingen waarvan – als ze als zodanig herkend worden - de betekenis makkelijk te achterhalen is (bijvoorbeeld ‘reuzenpotlood’ p.11, ‘taxirit’ p.20, ‘watermoleculen’ p.23), komt er een redelijk groot aantal woorden voor dat aan de praktijk van het schaatsen is gerelateerd (‘Elfstedentocht’ p.5, ‘schaatskrassen’ p.6, ‘wak’ p.9, ‘ijsschraapsel’ p.11, ‘onderbindertjes’ p.22, ‘hockeyschaatsen’ p.28, ‘krabbelaarsbaantje’ p.43). Van een register kan hier echter niet gesproken worden; de gebruikte taal is standaardtaal. Bijna steeds, ook in overpeinzingen van de hoofdpersoon, is het taalgebruik concreet, met slechts een zeldzame vergelijking of metafoor (bijvoorbeeld ‘een rieten hals’ p.13 voor een stuk bevroren sloot met rietkragen, overigens al eerder in een vergelijking aan de orde geweest; ‘het winnende zaadje’ p.24 voor een nog ongeboren kind, door de context goed te begrijpen). Idioom is niet afwezig, maar wordt spaarzaam toegepast ('ergens iets van maken' p.25, 'door één deur kunnen' p.37). Wat verder opvalt is een enkele gemarkeerde zin (bijvoorbeeld ‘Hard ging je’ p.26) en het gebruik van accenten op bepaalde woorden in zinnen met een normale woordvolgorde, dat door de schrijver regelmatig wordt toegepast (bijvoorbeeld ‘Dat geluk was er – maar wáár was het eigenlijk?’ p.21).

Tekstcomplexiteit
De verhaallijn bestrijkt ongeveer een week uit het leven van de hoofdpersoon Pieter. Naast de gebeurtenissen, die bijna allemaal met schaatsen te maken hebben, treffen we erg veel gedachten van Pieter en enkele terugblikken aan. De overgangen tussen het schaatsen en de gedachtewereld zijn niet altijd duidelijk aangegeven en kunnen, vooral in het begin van het verhaal, verwarring opleveren. Omdat dit procédé echter steeds hetzelfde blijft, raakt de lezer er al snel vertrouwd mee. Bovendien zijn er soms aanwijzingen in de tekst die de overgang verduidelijken (bijvoorbeeld een zinnetje als ‘nu hij erover nadacht’ p.12 of het gebruik van (retorische) vragen).

Thematiek/Onderwerp
De passie voor schaatsen die in dit verhaal sterk naar voren komt is misschien moeilijk in te voelen voor iemand die het nog nooit gedaan heeft. De gevoelens van liefde die de hoofdpersoon nog altijd koestert voor zijn zoontje en zijn ex-vrouw, zullen voor volwassenen die een relatie hebben gehad herkenbaar zijn.

Vertelperspectief
Het verhaal wordt verteld vanuit het hij-perspectief en al op de tweede pagina wordt ook de naam van de ‘hij’ genoemd: Pieter. De lezer volgt de dingen die hij meemaakt en zijn gedachten op de voet.

Personages
Drie personages spelen een belangrijke rol in dit verhaal: de hoofdpersoon Pieter, zijn ex-vrouw Elleke en hun zoontje Wouter. Verder worden nog twee personen bij naam genoemd: Leo, de nieuwe vriend van Elleke, en Ilse, een vrouw met wie Pieter een korte relatie had. Zij spelen geen grote rol. De overige personages (schaatsers en een hengelaar) worden niet met name genoemd en dienen vooral als 'décor'.
In de loop van het verhaal komt de lezer steeds meer te weten over Pieter en – via zijn gedachten en gesprekken – in veel mindere mate over Wouter en Elleke. De personages veranderen niet zozeer in het verhaal, maar hun karaktertrekken komen steeds duidelijker aan de oppervlakte. Door het constante hij-perspectief en de vele gedachten van Pieter die de lezer kan volgen, is het vrij eenvoudig om je met hem te identificeren, hoewel de mate waarin dat gebeurt natuurlijk altijd per lezer verschilt.

Plaats
In het verhaal worden erg veel plaatsnamen genoemd, vooral van kleine dorpjes in de buurt van Amsterdam. De geografische plaats van handeling is zo steeds duidelijk. In het verhaal wordt verwezen naar een vliegvakantie naar Israël en computerspelletjes, waaruit we kunnen opmaken dat het zich afspeelt in de laatste twee decennia van de twintigste of het eerste van de eenentwintigste eeuw. Ook de gezinssituatie (Pieter woont alleen en Wouter bij zijn moeder Elleke) sluit hierbij aan.

Tijd
Het verhaal beschrijft ongeveer een week uit het leven van Pieter. De gebeurtenissen uit deze week worden chronologisch verteld, maar we vinden vele terugblikken naar eerdere periodes. De terugblikken zijn nooit erg lang en verwijzen ook grotendeels naar dezelfde periode: de zwangerschap van Elleke en de trouwdag van Pieter en Elleke die tien jaar geleden plaatsvond. De flashbacks zijn daardoor en door de eerder genoemde overgangsmarkeringen vrij duidelijk te onderscheiden. Bovendien hebben ze een functie in het beantwoorden van sommige vragen die bij de lezer kunnen opkomen (Wie is Elleke? Hoe was de relatie tussen Elleke en Pieter?). Andere vragen worden niet beantwoord (bijvoorbeeld hoe Elleke en Pieter uit elkaar zijn gegaan). Over het algemeen zijn er echter geen grote open plekken en ook aan het einde van het boekje vinden we een soort afsluiting. Hoewel het niet precies duidelijk wordt hoe de relatie tussen Pieter en Elleke zich in de toekomst zal ontwikkelen, lijkt het wel alsof Pieter eindelijk vrede heeft met de situatie zoals die is.

Nadruk bij spanningsopbouw
Het verhaal bestaat voor ongeveer de helft uit gebeurtenissen en voor de andere helft uit herinneringen en gedachten van de hoofdpersoon. De spanning wordt vooral opgebouwd door herinneringen aan gebeurtenissen uit het verleden.

Conclusie
De beperkte lengte, het relatief gemakkelijke taalgebruik en de enkelvoudige verhaallijn in Drie Slechte Schaatsers maken het verhaal geschikt voor halfgevorderde studenten Nederlands (niveau B1). Het verhaal vergt wel wat van de woordenschat van de student, maar een groot deel van het opzoekwerk kan voorkomen worden door een lijstje met ‘schaatstermen’ en eventueel illustraties bij te leveren. Van de twee voornaamste thema’s die aan bod komen (schaatsen en liefde voor (ex-)familie) is er één typisch Nederlands en één universeel.

Leercriterium
Dit verhaal bevat verschillende typen zinnen die in het Nederlandse (spreek)taalgebruik erg gangbaar zijn: het overgrote deel bestaat uit zinnen met een normale woordvolgorde, maar er zijn ook gemarkeerde zinnen (‘Ook niet erg groot, maar toch veel groter, was de kans dat hij Wouter hier ineens zou zien’ p.19), zinnen waarin de persoonsvorm is weggelaten (‘Het was niet waarschijnlijk. Maar niet onmogelijk’ p.28), zinnen met nevenschikkende voegwoorden (‘Hij keek om zich heen, maar zag haar of Wouter niet meteen’ p.43) of onderschikkende (‘Terwijl in Nederland de Elfstedentocht werd verreden, smeerde hij op het strand van Tel Aviv zijn zoontje in met zonnebrandolie’ p.5) en zinnen met een themaconstituent voorop (‘Die rijders in dat treintje, dàt was schaatsen’ p.35). Over het algemeen zijn de zinnen kort en de verschillende woordvolgordes dus eenvoudig van elkaar te onderscheiden. De balans tussen gewone en bijzondere woordvolgorde in het verhaal weerspiegelt goed het daadwerkelijke gebruik in het Nederlands.
Het verhaal staat in de verleden tijd, waardoor in de terugblikken bijna steeds de voltooid verleden tijd optreden. Doordat de terugblikken kort zijn, wordt het gebruik van beide tijden en de overgang ertussen goed zichtbaar.
Een taalaspect dat opvallend vaak terugkeert in dit verhaal is de beschrijving van mogelijke of irreële situaties. Dit gebeurt steeds als Pieter zich voorstelt wat andere mensen doen op een bepaald moment, hoe ze zouden reageren in een bepaalde situatie of als hij het met zijn zoontje heeft over de kans dat iets erg onwaarschijnlijks gebeurt. In dit verband bevat het verhaal relatief veel zinnen met zou¸ kon, had, of als…dan-constructies, bijvoorbeeld: ‘tochtjes die hij zou hebben gereden’ p.6 ‘als je een wereld moest scheppen, (…) , dan zou je (…)’ p.12 ‘als je dan ook zoiets krankzinnigs verzon (…), dan moest je’ p.12/13 ‘Voor Wouter en Elleke zou het wel naar zijn’ p.14 ‘iedereen zou zo’n spel willen kopen’ p.16 ‘Er kon best een Jezusspelletje bestaan’ p.17 ‘Wouter (…) kon hebben bedacht dat het een leuke verrassing zou zijn als ze elkaar hier tegenkwamen. Misschien had Elleke het bedacht.’ p.19.
Inhoudelijk kan het verhaal aanleiding geven om te spreken over verschillende familie- en gezinssituaties in Nederland en het eigen land. Daarnaast is het interessant om aandacht te besteden aan de typisch Nederlandse sport schaatsen die in het verhaal een prominente plaats heeft.

Leercriterium Formeel ja
Inhoudelijk/cultureel ja