Direct naar menu
start » wereldwijd » taaluniecentrum

De Leeswijzer

Boekverslag Dooi


door Rascha Peper

Deze roman gaat over een man, Ruben Saarloos, die met zijn woonschip wekenlang vastgevroren zit in het ijs voor een onbewoond eilandje in het IJsselmeer. Hij werkt in eenzaamheid aan de vertaling van een Engels boek over vissen, waarin ook de vis voorkomt waarnaar zijn vader in Afrika zocht. Op een van zijn zoektochten is de vader van Ruben Saarloos omgekomen. Op een dag komt er een jonge schaatsster voorbij. Ruben ontmoet haar daarna enkele malen en is behoorlijk van haar onder de indruk. Ook als zijn schip is losgebroken door de kustwacht en hij weer terug is bij zijn eigen vrouw kan hij haar niet vergeten en gaat naar haar op zoek.

Criterium
      + Deelaspect
makkelijker moeilijker
lay-out/visuele steun
hoofdstukken/ titels/ witregelsaanwezig afwezig
illustraties aanwezig afwezig
interpunctie aanwezig afwezig
lengte
van de tekst korter langer
van tekstdelen korter langer
van zinnen korter langer
taalgebruik
woordenschat frequent/bekend niet-frequent/ onbekend
taalvariatie standaardtaal register/ stijlvariatie
formulering weinig idioom, letterlijk/concreet veel idioom, figuurlijk/abstract
grammatica ongemarkeerd, eenvoudig gemarkeerd, complex
textcomplexiteit
verhaallijnen één twee of meer
betekenislagen één twee of meer
scheiding fantasie/werkelijkheidduidelijk of niet van toepassingonduidelijk
thematiek/onderwerp
aansluiting bij leefwereld/leeservaring van de lezeraansluitendminder/niet aansluitend
niveau van abstractie bij de presentatielaag hoog
vertelperspectief auctoriaal, neutraal, personaal, ik-/jijperspectiefwisselend, monologue interieur
personages
aantal weinig veel
uitwerking karakters stereotype, weinig diepgangcomplexe karakters, meer diepgang
verandering onderlinge verhoudingenweinig, niet ingrijpendveel, ingrijpend
identificatiemogelijkheden veel weinig
plaats
geografisch bekend onbekend
sociaal/ cultureel bekend onbekend
tijd
tijdverloop chronologisch, zonder tijdsprongenniet-chronologisch, met tijdsprongen/flashbacks
open plekken/open einde afwezig aanwezig
historische plaatsing bekend of niet van toepassingonbekend
nadruk bij spanningsopbouw gebeurtenissen gedachten/beschrijvingen
Aantal kolommen12 17
Percentage41% 59%

Lay-out/Visuele steun
Het boek draagt de titel Dooi en bestaat uit tien in Romeinse cijfers genummerde hoofdstukken zonder naam. De hoofdstukken zijn door middel van witregels verdeeld in verschillende fragmenten, waarbij sprake is van overgangen in tijd, medium (stukken uit de vertaling en uit het Engelse vissenboek, dit laatste is bovendien cursief gedrukt) of bewustzijn (dromen en fantasieën tegenover werkelijkheid en ‘gewone’ gedachteweergave). Er zijn geen illustraties en geen bijzonderheden wat betreft de interpunctie.

Lengte
Deze roman telt 158 kleine pagina’s (pocketformaat), dicht bedrukt in normale lettergrootte. De hoofdstukken zijn 2 tot 28 bladzijden lang. De fragmenten binnen de hoofdstukken zijn wisselend van lengte; soms een enkele alinea, soms vele bladzijden achter elkaar. De zinnen zijn over het algemeen behoorlijk lang. Dit komt omdat de vaak associatieve gedachten van Ruben Saarloos worden weergeven. Voorbeelden zijn: ‘Muziek zou kunnen, maar daarvoor was hij niet in de stemming, normaal gesproken al niet en nu helemaal niet’ p.27. Of:

‘De laatste keer dat hij er geweest was, had hij zich nog zo gestoord aan de studenten met de witte voorschoten, die zo duidelijk liepen uit te stralen dat ze geen echte obers waren, aan het ‘Geldersch hoen’ waarmee op de kaart kip aangeduid werd, aan de opgeklopte flauwekul van ‘eendenlever met lychee-chutney op een bedje van sepia-pasta’; kortom, aan de hele atmosfeer van hedonistische leeghoofdigheid - want dat je met de jaren milder werd, daar merkte hij niet veel van.’ p.24.

Taalgebruik
Het boek bevat behoorlijk wat minder frequente woorden. Bijvoorbeeld: ‘izegrim’ p.11, ‘kruiend’ (van ijs) p.23, ‘rouwfloersen’ p.25, en ook een aantal woorden die uit het vissenboek komen, zoals ‘broedbuidel’ p.16, of die behoren bij scheepsterminologie horen: ‘jonk’ p.25, en ‘boegsprietverstaging’ p.134. Ook wordt er veel gebruik gemaakt van idioom, zoals ‘er een streep onder zetten’ en ‘het over een andere boeg gooien’, maar ook minder traditionele uitdrukkingen, zoals ‘Nou, hij vrat nog liever droog brood dan nog langer dit soort suikerspinnen door de strot geduwd te krijgen (…) ’ p.11. Bovendien reflecteert de eenzame vertaler ook op Nederlandse uitdrukkingen. Hij denkt bijvoorbeeld:

‘Tijdens de avondwandeling, tussen vijf en zes, viel het hem weer eens op hoe onjuist de uitdrukking ‘de avond valt’ eigenlijk was. De avond viel niet, de avond steeg op vanaf de grond.’ p.41
Ook gebruikt Ruben soms varianten op bestaande uitdrukkingen, zoals: ‘Precies, een eenzame-mannenhand was snel gevuld.’ p.71. Het verhaal is geschreven in standaardtaal, maar op één plaats wordt individuele variatie gesuggereerd door fonetische weergave: ‘Ja, kweenie hoeket zeggen moet’, zei een onzekere meisjesstem door het gekraak heen, (…)’ p.19. In de weergave van de gedachten van Ruben wordt zeer veel gebruik gemaakt van ironie. Hieruit blijkt dat hij een nogal somber, licht sarcastisch iemand is. Een voorbeeld: ‘Nou, nou een gebeurtenis op het eiland: er was een konijn dood gegaan.’ p.7. En even later:
‘Het barstte er van de konijnen, waarvan je je kon afvragen hoe ze er gekomen waren (‘Niet huilen, Dennis. Plukje en Flopje hebben het hier toch veel fijner dan thuis?’).’ p.8.
Het gebruik van de grammatica is niet opvallend gemarkeerd, wel worden de gedachten en waarnemingen van Ruben soms weergegeven als opsommingen van zinnetjes, gescheiden door komma’s of gedachtestreepjes.

Tekstcomplexiteit
Er is één hoofdverhaallijn; die over de belevenissen van Ruben Saarloos op en rond het schip. Daarnaast is er een verhaallijn over de jeugd van Ruben en de geschiedenis van zijn vader die zijn gezin in de steek liet en doodging in Afrika bij het zoeken naar de coelacanth-vis. Deze tweede lijn leren we via flashbacks van Ruben kennen. Er zijn verschillende betekenislagen. Veel elementen uit het boek hebben een symbolische waarde. Om een aantal voorbeelden te geven: de ijsvlakte zou je kunnen interpreteren als symbool voor de ‘bevriezing’ van Rubens emoties, die ‘ontdooien’ als het ijs begint te smelten. De naam van het schip ‘Harnasman’ lijkt ook te verwijzen naar het introverte karakter van de eigenaar ervan. De zwijgzame schaatsster daarentegen, met haar vuurrode haren, is het symbool van de plotselinge harstocht die deze man voelt. De fatale zoektocht van Rubens vader naar een prehistorische vis is een extreem symbool voor zinloosheid en vluchten voor de werkelijkheid. Er zijn verschillende overgangen in bewustzijn: Ruben droomt een aantal keren. Ook heeft hij een keer een hallucinatie en een fantasie over het vangen van een coelacanth. Deze overgangen worden duidelijk aangegeven, met behulp van een witregel en/of door lexicale verduidelijking:

‘Nog verschillende keren die avond dook het meisje met het rabarberkleurige haar op tussen de vlagzalmen en de valse doornhaaien. Maar ’s nachts, toen hij sliep, (…)'. p.66.
Alleen het bezoek van de Dood aan het einde van de roman blijft raadselachtig: Ruben heeft een gesprek met de Dood en zegt dat hij met hem meegaat, maar hij blijkt twee maanden later nog te leven.

Thematiek/Onderwerp
De thematiek bestaat uit een aantal onderdelen, zoals eenzaamheid, liefde, erotiek en doodsangst. De manier waarop deze thematiek wordt gepresenteerd is grotendeels doorzichtig: de afgelegen plaats van handeling en de plotselinge verliefdheid zijn concrete elementen. Het onderwerp ‘dood’ is in deze roman verwarrend: Ruben wordt op het verkeerde been gezet over de dood van de schaatsster en de lezer over de dood van Ruben. Hoewel de thematiek universeel van aard is, is de wijze van presentatie veel minder alledaags: een bevroren IJsselmeer als decor voor huwelijkse ontrouw is waarschijnlijk niet voor velen herkenbaar.

Vertelperspectief
Het verhaal wordt verteld in personaal (hij-) perspectief. De hij-persoon is Ruben Saarloos. We hebben inzicht in zijn gedachten en gevoelens.

Personages
Het hoofdpersonage, Ruben Saarloos, is een man van 58 jaar. Hij werkt als vertaler van Engelse non-fictie. Zijn karakter wordt het meeste uitgewerkt: uit de weergave van zijn gedachten en bezigheden maken we op dat hij een ironische, kritische en enigszins norse man is, die niet gewend is overweldigd te worden door zijn emoties. Hij is al jaren gelukkig getrouwd met Ina. Terwijl Ruben op het ijs zit, logeert zij op de wal omdat ze geen vrij kan krijgen van haar werk. De schaatsster, die niet protesteert als ze Bente Nerwanen wordt genoemd door Ruben, hoewel later blijkt dat dit haar naam niet kan zijn, is een jonge vrouw, waarschijnlijk begin 20. Zij vertelt aan Ruben dat zij bij de VU werkt aan een onderzoek over pupilverwijding. Haar hobby is morseseinen. Verder komen we niets over haar te weten: ze spreekt nauwelijks over zichzelf met Ruben. Een laatste belangrijk, hoewel overleden, personage is de vader van Ruben. Hij wordt gepresenteerd als een maniakaal, tragisch type, dat de verantwoordelijkheden van een gezin geheel negeerde en alleen maar ongelukkig werd van zijn, uiteindelijk fatale, zoektocht. Tenslotte zijn er enkele onbelangrijke bijfiguren, zoals de mensen van de kustwacht en de telefoniste van het VU-laboratorium. De verhoudingen tussen de verschillende personages veranderen tijdens het verhaal tamelijk ingrijpend: ‘Bente’ en Ruben zijn eerst vreemden voor elkaar, dan geliefden, en dan weer vreemden. De relatie van Ruben en Ina maakt een omgekeerde ontwikkeling door: na hun jarenlange hechte band vervreemden ze van elkaar door het avontuur op het ijs waar Ruben haar niets over zegt. Later groeien ze weer naar elkaar toe. De relatie van Ruben met zijn vader verandert ook: in het begin van het boek is hij er geheel onverschillig over, maar door de emoties van de verliefdheid en door het vissenboek komt het oude verdriet weer boven. Deze personages en hun relaties zijn tamelijk specifiek, en hoewel de emoties in grote lijnen waarschijnlijk voor iedereen aanknopingspunten bieden, zijn de identificatiemogelijkheden zeker niet vanzelfsprekend.

Plaats
Het verhaal speelt zich af in Nederland: eerst op het bevroren IJsselmeer en na de bevrijding van Rubens schip op de ligplaats in Naarden, met uitstapjes naar Amsterdam, Hoorn en de begraafplaats van Nibbixwoud. Dit zijn allemaal plaatsen, waarbij niet iedereen een voorstelling heeft. Met name de beschrijvingen van het winterse landschap op het bevroren meer kunnen in dat kader problematisch zijn. Ook de sociaal-culturele setting, waarbij sprake is van een man van middelbare leeftijd die overspel pleegt met een jong, vrijwel onbekend meisje, zou misschien een obstakel kunnen vormen. Andere specifieke kenmerken die niet bij iedereen bekend verondersteld kunnen worden, zijn bijvoorbeeld het wonen op een schip en het schaatsen. Een laatste punt betreft de omgeving van Rubens jeugd. Hij spreekt hierbij expliciet over de beklemming van het gereformeerde milieu waarin hij opgroeide. Ook hier zal geen sprake zijn van algemene herkenning.

Tijd
Het verhaal speelt zich af in de moderne tijd: het boek is uitgegeven in 1999 en er zijn geen aanwijzingen dat het eerder (of later) geplaatst moet worden. Het tijdverloop is grotendeels chronologisch, met enkele flashbacks naar de geschiedenis van Rubens vader. Dit speelt na de Tweede Wereldoorlog, tot zijn dood in 1953. In het eerste gedeelte van het boek, op het meer, wordt bijna de gehele dag- (en nacht-)invulling van Ruben beschreven. Als hij weer ‘thuis’ is verloopt de tijd sneller en worden er sprongen gemaakt van dagen en weer later van weken, die duidelijk worden aangegeven, op lexicale wijze en/of met witregels. Aan het einde van het boek blijven twee dingen onduidelijk: wie was Bente Nerwanen echt? En: wat is er precies gebeurd na het bezoek van de Dood aan Ruben? Aangezien hij in het laatste hoofdstuk, dat twee maanden later speelt, nog naar een veiling gaat met Ina, kan hij niet zijn overleden. Dat Ruben niet bang is als de Dood op zijn drempel staat, lijkt aan te geven dat hij het verleden verwerkt heeft. Toch is het zien van een morseapparaat op de veiling voor hem voldoende om direct met zijn gedachten af te dwalen naar de mysterieuze schaatsster.

Nadruk bij spanningsopbouw
De nadruk bij de spanningsopbouw ligt overduidelijk op de beschrijvingen van de gedachten van de hoofdpersoon: je kunt meelezen met het proces van verliefd worden dat hij doormaakt en daarna met het verwerken en vergeten van de gebeurtenissen.

Conclusie
Op grond van zowel formele als inhoudelijke criteria kan gezegd worden dat deze roman behoorlijk moeilijk is. Het taalgebruik is om te beginnen tamelijk ingewikkeld. Bovendien is er een aantal andere zaken dat het begrip in de weg kan staan: de plaats van handeling is zeer specifiek, maar wel belangrijk voor de thematiek. De scheiding tussen fantasie en werkelijkheid is soms onduidelijk of er blijft informatie achterwege. De symbolen die helpen het thema over te brengen, zijn niet altijd even alledaags (de coelacanth-vis, de morseseinen). Deze tekst lijkt zich te lenen voor gebruik door gevorderde leerders van het Nederlands als vreemde taal, vanaf niveau C1.

Leercriterium
Dit boek zou gebruikt kunnen worden om in te gaan op het Hollandse (water)landschap en andere typische zaken zoals wonen op een boot en schaatsen, maar dat zijn ook de enige aanknopingspunten op inhoudelijk gebied.
Op het formele vlak biedt het boek goede mogelijkheden om te oefenen met het interpreteren van ironie. Ook het thema van het vertalen kan leuk zijn: waarom zijn sommige dingen zo moeilijk uit te drukken in een andere taal?

Leercriterium Formeel ja
Inhoudelijk/cultureel nee/ja?